Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
bijlage Iaan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.Voorvragen2.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie
Bij uitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 juni 2015 heeft de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden verboden tot feitelijke overlevering van de verdachte aan Italië over te gaan op grond van artikel 36, eerste lid, Overleveringswet. Bij vonnis van de Tribunale di Roma van 6 februari 2020 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 jaar. Dit vonnis is nog niet onherroepelijk.
18 november 2015 blijkt dat de officier te kennen heeft gegeven dat de vervolging van de verdachte inzake onderzoek Fratelli, zal worden geseponeerd wegens onvoldoende nationaal belang, onder de voorwaarde dat de verdachte ter berechting aan Italië zal worden overgeleverd. Bij beslissing van 21 december 2015 heeft het Openbaar Ministerie de zaak met parketnummer 15-740627-13 (Fratelli) daadwerkelijk geseponeerd (wegens onvoldoende bewijs/sepot 02).
Zo’n uitzonderlijk geval doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd.
3.Beoordeling van het bewijs
- in navolging van de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat het wettig bewijs ontbreekt. Het bewijs dat [verdachte] bij deze kwekerij betrokken zou zijn berust alleen op de
- wisselende - verklaring van bewoner [naam 1] en wordt niet door andere bewijsmiddelen ondersteund. De rechtbank zal [verdachte] daarom zowel van het onder feit 2 primair als het subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.
[adres 1] te Broek op Langedijk,met daarin 854 hennepplanten, zijn [medeverdachte 1] (feit 6), [verdachte] (feit 1) en
[medeverdachte 2] (feit 1) als verdachten aangemerkt. Op 26 juni 2014 wordt door het observatieteam gezien dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gezamenlijk met de VW Golf (kenteken [kenteken] ) naar de [adres 1] in Broek op Langedijk rijden en daar rond 08:10 uur het pand binnengaan. Circa 25 minuten later wordt gezien dat zij het pand weer verlaten, waarbij [medeverdachte 1] het pand afsluit met een sleutel. Hoewel aannemelijk is dat de hennepkwekerij ook al op 26 juni 2014 daar aanwezig was, is daarentegen niet vast te stellen dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wetenschap hadden van die aanwezigheid. Immers, de kwekerij bevond zich in een met gipsblokken afgesloten deel achterin de loods en was, gelet op de fotobijlage bij het proces-verbaal van aangifte van Liander (map 2 B 756 e.v.), vanuit het voorste deel van de loods niet te zien. Dat de VW Golf in de periode van 14 juni tot en met 7 juli 2014 regelmatig in de directe omgeving van de [adres 1] heeft verbleven levert evenmin bewijs op voor betrokkenheid van [medeverdachte 1] , nu niet is vastgesteld dat [medeverdachte 1] steeds degene was die deze auto bestuurde.
1 november 2013 een eenmanszaak, te weten een ambulante handel in pannen, bestek en huishoudelijke artikelen. In de visie van het Openbaar Ministerie voert [verdachte] echter geen bedrijf zoals hij doet voorkomen op grond van zijn administratie, maar is het bedrijf een (papieren) schijnconstructie waarbij de omzet in werkelijkheid crimineel geld is. De criminele herkomst ervan wordt verhuld door het legale omzet te doen lijken en op die manier wordt geld (omzet) witgewassen. Uit het in de administratie aangetroffen kasboek leidt de rechtbank af dat het Openbaar Ministerie daarbij het oog heeft op een in de boeken verantwoorde omzet van € 65.263 [1] over de periode november 2013 tot en met september 2014 (zie tabel 1 in het proces-verbaal van bevindingen financiën [verdachte] , Map 16). De officier van justitie heeft deze conclusie van de rechtbank ter terechtzitting desgevraagd bevestigd.
- er zijn geen klanten bekend van de eenmanszaak aangezien kwitanties/facturen van de verkopen niet op naam zijn gesteld en er steeds contant is betaald;
- de inkoopfacturen van [naam bedrijf 1] blijken vals;
- er is geen bedrijfsvoorraad aangetroffen tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte] ;
- er is (
- de verkopen gedaan in 2013 betroffen 37 verkopen voor een totaal aan contante betalingen van € 10.730. Dit is een gemiddelde contante verkoop van € 290. De verkopen tot en met 30 september 2014 betroffen 155 verkopen voor een totaal aan contante betalingen van € 54.533. Dit komt neer op een gemiddelde verkoopprijs van € 351,83. Het is niet aannemelijk dat dergelijk verkopen tegen contante betaling van gemiddeld € 351,83, in deze hoeveelheden, grotendeels vanuit een auto op de openbare weg plaatsvinden aan onbekende klanten.
- [verdachte] beschikte in de periode 28 februari 2014 tot en met 18 februari 2015 niet over een geldig rijbewijs;
- in een afgeluisterd telefoongesprek op 20 juni 2014 vraagt [verdachte] aan een onbekend gebleven persoon of deze ‘
waarbij de rechtbank begrijpt: de stukken die tijdens de doorzoeking bij het administratiekantoor [naam administratiekantoor] in beslag zijn genomen) zijn kennelijk twee facturen aangetroffen van firma [naam bedrijf 1] . In het dossier bevindt zich één factuur gedateerd 22 januari 2014 (bijlage 4 bij het getuigenverhoor van [getuige 3] , Map 15, G 113). Het betreft een factuur van [naam bedrijf 1] gericht aan
[verdachte] voor een bedrag van € 5.445 (inclusief btw) voor de inkoop van 50 stuks 12-delige pannenset, 50 stuks 9-delige messenset en 50 stuks 72-delige bestekkenset. Op de factuur staat het adres
[adres 3]vermeld. Tevens staat op de factuur een stempel met het adres:
[naam bedrijf 1] [adres 4]en onderaan de factuur staat het KvK-nummer [KVK nummer] . Uit gegevens van de KvK volgt dat
[getuige 3] eigenaar is van deze onderneming, een groothandel in edelmetaal, goud, zilver en platina, alsmede een groothandel in klein- en grootmetalen, in- en export van auto’s en ongeregelde goederen. De onderneming is op 30 augustus 201 (
de rechtbank begrijpt: 2012) gestart en op 12 december 2013 opgeheven. [getuige 3] is als getuige gehoord en zijn verklaring komt er - kort samengevat - op neer dat hij nooit ergens in heeft gehandeld, dat hij als katvanger heeft gefungeerd waarbij op zijn naam een onderneming bij de KvK is ingeschreven, dat hij daarvoor geld heeft gekregen, maar dat iemand anders handelde. Verder heeft hij blanco facturen verkocht in de kroeg. De factuur van 22 januari 2014, gericht aan [verdachte] , herkent [getuige 3] niet en de handtekening op deze factuur is niet van hem. Van de naam [verdachte] heeft [getuige 3] nooit gehoord en hij herkent [verdachte] ook niet van een foto.
22 januari 2014 vals is. Op die datum bestond de firma [naam bedrijf 1] immers niet meer en de eigenaar van [naam bedrijf 1] heeft verklaard dat hij een katvanger was, deze onderneming tot
12 december 2013 tegen betaling op zijn naam heeft gesteld en een keer of vijf blanco facturen (zonder tekst) in de kroeg heeft verkocht. [verdachte] wordt onder feit 5 verweten dat hij deze valse factuur opzettelijk heeft afgeleverd (bij administratiekantoor [naam administratiekantoor] ) en of voorhanden heeft gehad. Voor een bewezenverklaring van dit feit is noodzakelijk dat [verdachte] minst genomen voorwaardelijk opzet heeft (gehad) op het valse karakter van de factuur. Met andere woorden, bewezen moet worden dat [verdachte] wist dan wel bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de factuur vals was.
[verdachte] valt daarmee en ook op basis van de rest het dossier niet te leggen. Bij gebrek aan andere feiten en omstandigheden waaraan het wettig bewijs kan worden ontleend dat
opzet (al dan niet in voorwaardelijke vorm) heeft gehad op de valsheid, moet hij ook van dit feit worden vrijgesproken.
4.Beslissing
2 subsidiair, 3, 4 en 5 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.