De rechtbank Noord-Holland heeft op 29 juni 2021 uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk nalaten om tijdig haar wijziging van hoofdverblijf te melden aan de gemeente Zaandam, terwijl zij wist dat deze gegevens van belang waren voor de vaststelling van haar recht op uitkering. De ten laste gelegde feiten betroffen de periode van 10 september 2009 tot en met 9 januari 2019, waarbij verdachte haar hoofdverblijf buiten de gemeente Zaandam hield, namelijk bij haar partner in Woerden.
De officier van justitie stelde dat verdachte door het niet melden van deze wijziging uitkeringsfraude pleegde, onderbouwd met bewijs zoals laag waterverbruik op het uitkeringsadres, verklaringen van buurtbewoners en zorgdeclaraties. De verdediging betwistte dat verdachte haar hoofdverblijf daadwerkelijk had gewijzigd en dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner.
De rechtbank oordeelde dat verdachte in ieder geval gedurende zes maanden voorafgaand aan januari 2019 voor een belangrijk deel bij haar partner verbleef en dat zij dit opzettelijk niet had gemeld. Voor de periode daarvoor was onvoldoende wettig bewijs. Gelet op de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder gezondheidsproblemen en cognitieve beperkingen, en het lage risico op herhaling, legde de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week op met een proeftijd van twee jaar.
De rechtbank sprak verdachte vrij van de overige ten laste gelegde feiten en benadrukte dat verdachte wist dat zij wijzigingen in haar hoofdverblijf moest melden. De straf is aanzienlijk lager dan gevorderd vanwege de kortere bewezenverklaring en persoonlijke omstandigheden.