ECLI:NL:RBNHO:2021:4395
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke beoordeling intrekking maatregel en proceskostenvergoeding na bezwaar
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verweerder op 25 juli 2019 een maatregel van 100% over drie maanden opgelegd aan eiseres wegens het niet naleven van afspraken rondom arbeidsinschakeling. Eiseres diende op 1 augustus 2019 bezwaar in. Na ingebrekestelling op 10 januari 2020 trok verweerder het besluit van 25 juli 2019 op 23 januari 2020 in, waarmee de maatregel kwam te vervallen.
Verweerder verklaarde vervolgens het bezwaar op 27 februari 2020 kennelijk niet-ontvankelijk en stelde dat geen dwangsom verschuldigd was. Eiseres stelde dat dit onterecht was omdat het bezwaar nog niet volledig was afgehandeld en dat verweerder met een nieuw besluit de betaling van een dwangsom probeerde te voorkomen.
De rechtbank oordeelt dat het besluit van 23 januari 2020 een besluit op bezwaar is en geen primair besluit, waardoor het bezwaar reeds is behandeld. Het besluit van 27 februari 2020 dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaart, kan daarom niet standhouden en wordt vernietigd. De vergoeding van proceskosten en wettelijke rente is terecht toegekend. De vordering tot betaling van een dwangsom faalt omdat het intrekkingsbesluit binnen de wettelijke termijn is genomen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit over niet-ontvankelijkheid van het bezwaar, veroordeelt verweerder tot vergoeding van het griffierecht van €48,- en proceskosten van €1.068,- aan eiseres. De overige rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit dat het bezwaar niet-ontvankelijk is vernietigd en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.