Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2021:3786

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
7 mei 2021
Publicatiedatum
6 mei 2021
Zaaknummer
15.013382.21
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 57 SrArt. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens bedreiging en bezit pistool met munitie tot 12 maanden gevangenisstraf

Op 15 januari 2021 bedreigde verdachte te Zwaag een persoon met een vuurwapen door in diens richting te schieten en had hij een pistool van het merk Tanfoglio met bijbehorende munitie voorhanden. De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding geldig was, het Openbaar Ministerie ontvankelijk en dat verdachte strafbaar was voor de bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder bekennende verklaringen van verdachte, proces-verbalen van getuigenverhoor, camerabeelden, doorzoekingen en onderzoek van het vuurwapen en de munitie. Verdachte heeft het vuurwapen ten minste tien jaar in bezit gehad, in een woning waar ook kinderen verbleven, en gebruikte het wapen in een woonwijk in aanwezigheid van een persoon.

De rechtbank achtte de feiten ernstig vanwege het gevaar dat het gebruik van vuurwapens met zich meebrengt en legde een gevangenisstraf op van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Hierbij werd rekening gehouden met het ontbreken van eerdere onherroepelijke vrijheidsstraffen en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, maar ook met de noodzaak van normmarkering en het ontmoedigen van wapenbezit.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan 3 maanden voorwaardelijk wegens bedreiging met een vuurwapen en bezit van een pistool met munitie.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.013382.21 (P)
Uitspraakdatum: 7 mei 2021
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 april 2021 in de zaak tegen:
[verdachte]
geboren op [geboorteplaats en -datum] ,
thans gedetineerd in P.I. Alphen, locatie Eikenlaan.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. L. Rienks en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. R.P.A. Kint, advocaat te Zoetermeer, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 15 januari 2021 te Zwaag, in elk geval in Nederland [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door met een (vuur)wapen in de richting van althans in de nabije omgeving van die
te schieten;
2
hij op of omstreeks 15 januari 2021 te Zwaag, in elk geval in Nederland een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Tanfoglio, model GT 27, klein kaliber (6,35 mm x 16) zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgegeven.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat
1
hij op 15 januari 2021 te Zwaag, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer] te schieten.
2
hij op 15 januari 2021 te Zwaag een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Tanfoglio, model GT 27, klein kaliber (6,35 mm x 16) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad.
Hetgeen aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:
1
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
2
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,
en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen. Daarnaast zou een langere voorwaardelijke gevangenisstraf gecombineerd met een taakstraf kunnen worden opgelegd.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft naar eigen zeggen gedurende tenminste 10 jaar een vuurwapen met munitie voorhanden gehad. Het wapen bevond zich in een woning waar ook kinderen verbleven. Op 15 januari 2021 heeft verdachte het vuurwapen ook gebruikt. Verdachte heeft in de openbare ruimte, een woonwijk, in aanwezigheid van een persoon geschoten. Dit zijn ernstige feiten. Het ongeoorloofd gebruik van vuurwapens zorgt jaarlijks voor vele slachtoffers, van wie een deel dodelijk wordt getroffen. Met name gelet op het gevaarzettend karakter van feiten als deze, dient het aanwezig hebben van wapens ontmoedigd te worden door het opleggen van een forse straf. De omstandigheid dat de verdachte het wapen ook daadwerkelijk heeft gebruikt draagt in aanzienlijke mate bij aan de strafwaardigheid van dit bewezen verklaarde wapenbezit.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:
- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 18 januari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld.
De raadsman heeft bij het bepalen van de strafmaat aandacht gevraagd voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Op de strafbare feiten die verdachte heeft begaan staan forse onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Naar het oordeel van de rechtbank is de officier van justitie in de strafeis al aanzienlijk tegemoet gekomen aan de persoonlijke omstandigheden en belangen van verdachte. Vanuit een oogpunt van normmarkering ligt een verdere neerwaartse bijstelling van de geëiste straf niet in de rede.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.
artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
12 (twaalf) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden,
nietten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.J. van Andel, voorzitter,
mr. R. Steinhaus en mr. G.C. Koelman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 mei 2021.
De voorzitter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Bijlage
De bewijsmiddelen
De hierna vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Gelet daarop zal voor deze feiten worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen.
Ten aanzien van feit 1
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [naam] d.d. 15 januari 2021 (dossierpagina 78- 80);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal camerabeelden d.d. 15 januari 2021 (dossierpagina 57-58);
Ten aanzien van feit 2
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming d.d. 15 januari 2021 (dossierpagina 35-38);
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal onderzoek vuurwapen/munitie d.d. 18 januari 2021 (dossierpagina 94-96);