De passagier vorderde compensatie van €600 wegens een vertraging van meer dan drie uur op een vlucht van Frankfurt naar Boston. De vervoerder verweerde zich met het beroep op buitengewone omstandigheden, waaronder een door de luchtverkeersleiding opgelegde CTOT vanwege weersomstandigheden en het verwijderen van bagage van een passagier die niet mee wilde vliegen.
De kantonrechter oordeelde dat de passagier voldoende aan zijn stelplicht had voldaan en dat de Nederlandse rechter bevoegd was. Uit het bewijs, waaronder vluchtrapporten en weerberichten, bleek dat de vertraging grotendeels te wijten was aan buitengewone omstandigheden zoals het weer en veiligheidsmaatregelen bij het verwijderen van bagage.
De vervoerder had alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging te beperken en de passagier had onvoldoende onderbouwd dat een omboeking mogelijk was geweest. Daarom werd de vordering afgewezen en werden de proceskosten aan de passagier opgelegd.