ECLI:NL:RBNHO:2021:2171

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 maart 2021
Publicatiedatum
18 maart 2021
Zaaknummer
15/871048-17
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Openlijke geweldpleging met zeer ernstig letsel voor slachtoffers

Op 18 maart 2021 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 6 mei 2017 in Egmond aan Zee openlijk geweld heeft gepleegd tegen drie personen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, samen met twee medeverdachten, in vereniging geweld heeft gepleegd, wat resulteerde in zeer ernstig letsel voor twee van de slachtoffers. De zaak werd behandeld in het kader van de redelijke termijn, waarbij de rechtbank oordeelde dat de termijn van tweeënhalf jaar overschreden was met één jaar en twee maanden. De verdachte werd bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.J.P. Mentink, en de officier van justitie, mr. E. Visser, vorderde een taakstraf van 240 uren. De rechtbank oordeelde dat de verdachte strafbaar was, maar hield rekening met zijn persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn. Uiteindelijk werd de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, met de mogelijkheid van vervangende hechtenis.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/871048-17 (P)
Uitspraakdatum: 18 maart 2021
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 februari 2021 en 4 maart 2021 in de zaak tegen:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum en -plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
[adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. E. Visser en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.J.P. Mentink, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 6 mei 2017 te Egmond aan Zee, gemeente Bergen (NH), openlijk, te weten op de Boulevard en/of het Vuurtorenplein, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen (een) perso(o)n(en), te weten [de aangever 1] en/of [de aangever 2] en/of [de aangever 3] , door (één van) hen (meermalen) tegen het gezicht/hoofd en/of (boven)lichaam te duwen, slaan en/of schoppen.

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3.Beoordeling van het bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onderdeel ‘schoppen’ in de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken, nu niet kan worden bewezen dat de verdachte heeft geschopt.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2.
Bewijsmotivering
Ten aanzien van het door de raadsvrouw van de verdachte gevoerde verweer dat de verdachte van het onderdeel ‘schoppen’ in de tenlastelegging moet worden vrijgesproken overweegt de rechtbank als volgt.
Bij de beoordeling of sprake is van openlijke geweldpleging, zoals ten laste gelegd, staat niet ter beoordeling of de verdachte elk van de ten laste gelegde geweldshandelingen heeft verricht. Ter beoordeling staat of er sprake is geweest van het in vereniging plegen van de ten laste gelegde geweldshandelingen. Daarnaast moet zijn komen vast te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld heeft geleverd.
Nu blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen aan beide eisen is voldaan, wordt de raadsvrouw niet gevolgd in haar standpunt. Het verweer wordt verworpen.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 6 mei 2017 te Egmond aan Zee, gemeente Bergen (NH), openlijk, te weten op het Vuurtorenplein, in vereniging, geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [de aangever 1] en [de aangever 2] en [de aangever 3] , door hen meermalen tegen het hoofd te slaan en te schoppen.
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 dagen hechtenis. In beginsel worden voor dit soort feiten onvoorwaardelijke gevangenisstraffen gevorderd. Echter, gelet op het tijdsverloop in deze zaak en de daarmee gepaard gaande overschrijding van de redelijke termijn wordt een taakstraf gevorderd.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht dat met betrekking tot de strafmaat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de verdachte het zware lichamelijke letsel van de slachtoffers niet zelf heeft veroorzaakt. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van het delict pas 19 jaar oud was en het in die tijd niet goed met hem ging. Hij heeft afgezien van dit feit een blanco strafblad. De raadsvrouw heeft verzocht dan ook het adolescentenstrafrecht toe te passen. Zij heeft er verder op gewezen dat de redelijke termijn is overschreden, dat de verdachte een schikking heeft getroffen met de slachtoffers voor het betalen van schadevergoeding en dat hij zijn leven thans op orde heeft.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, de gevolgen daarvan voor de slachtoffers, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van het feit
De verdachte heeft zich samen met zijn twee medeverdachten schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen drie nietsvermoedende slachtoffers. Twee van deze slachtoffers hebben daaraan zwaar hoofd- en hersenletsel overgehouden. De verdachte is samen met de medeverdachten achter de drie slachtoffers aangelopen, toen deze na een avond uit terug naar hun hotel liepen. Ze hebben de slachtoffers van achter neergeslagen, waardoor deze op de grond vielen. Gezien de verklaringen van zowel de slachtoffers als de verdachten over de korte duur van de aanval en het overwegend zeer zware letsel dat de slachtoffers daarbij hebben opgelopen, is het voor de rechtbank volstrekt duidelijk dat dit een explosie van ongecontroleerd en uitzinnig geweld moet zijn geweest. Er zijn voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het niet is gebleven bij de relatief beperkte geweldshandelingen (ongeacht het antwoord op de vraag wie van hen deze heeft gepleegd) waarover de verdachte zelf heeft verklaard. Dit kan worden afgeleid uit de aangiftes, de aard van het geconstateerde letsel en de wijze waarop twee slachtoffers liggend op hun buik door opsporingsambtenaren werden aangetroffen, bezien tegen de achtergrond van de zeer korte duur van de geweldpleging. Het geweld is bovendien in overwegende mate gericht geweest op de hoofden van de slachtoffers. De verklaringen die de verdachte tot en met 9 december 2019 heeft afgelegd alsmede de verklaringen van medeverdachte [de medeverdachte 1] dat er een confrontatie is geweest tussen de twee groepen, dat er duw- en trekwerk heeft plaatsgevonden en dat de Duitse mannen geprobeerd hebben zich te verdedigen, vinden geen enkele steun in de gebezigde bewijsmiddelen.
De aanval is zonder enige aanleiding gepleegd en de slachtoffers hebben geen enkele kans gehad om zichzelf tegen het zeer hevige geweld te verdedigen. De verdachte heeft geen pogingen ondernomen de medeverdachten te stoppen. De verdachten hebben de slachtoffers vervolgens voor dood achtergelaten op een donkere plek. Geen van de verdachten heeft hulp geboden of het alarmnummer gebeld. Zelfs niet nadat zij moeten hebben gezien dat twee van de drie slachtoffers bewegingloos op de grond bleven liggen. De verdachten zijn weggerend en hebben zich vervolgens stilgehouden.
Het letsel van de slachtoffers
De slachtoffers zijn door de politie gevonden nadat het slachtoffer [de aangever 1] gelukt is het alarmnummer te bellen. Ze zijn met spoed naar het ziekenhuis vervoerd. Uit medische informatie blijkt dat het slachtoffer [de aangever 1] het minste letsel heeft opgelopen. Hij had een hersenschudding, een snee in zijn lip en blauwe plekken in zijn gezicht, op zijn achterhoofd en schouder. Uit zijn eigen verklaring blijkt dat hij nog een tijdlang hoofdpijn heeft gehad en een week arbeidsongeschikt is geweest.
De andere twee slachtoffers zijn er zeer slecht aan toe geweest. Uit de medische informatie van slachtoffer [de aangever 3] blijkt dat hij naast een dikke lip en wonden en bloeduitstortingen aan zijn hoofd, een slagaderlijke bloeding in de hersenen heeft gehad, waarbij zich bloed ophoopte tussen het schedelbot en het buitenste hersenvlies. Ter hoogte van de hersenbloeding had hij een breuk in de schedel aan de rechterkant. Daarnaast waren zijn linker bovenkaak en jukbeen gebroken en had hij een hersenkneuzing. Vanwege de hersenbloeding verkeerde hij in levensgevaar en moest hij direct worden geopereerd. Uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat hem is gezegd dat, als hij een uur later zou zijn geopereerd, hij het niet zou hebben overleefd. Toen hij nog in het ziekenhuis lag, merkte [de aangever 3] dat hij doof werd. Hij heeft nog steeds last van tinnitus en een doof gevoel op zijn hoofd. Hij heeft iets meer dan twee weken in het ziekenhuis gelegen. Hij heeft na ontslag uit het ziekenhuis nog maanden fysiotherapie gehad. Later heeft hij ook psychische klachten ontwikkeld en werd een post traumatische stress stoornis vastgesteld. Hiervoor is hij al door verschillende psychologen behandeld. Hij heeft nog steeds moeite met multitasken en het heeft meer dan een jaar geduurd voordat hij zijn werk weer kon doen zoals voor het incident. Onlangs is vastgesteld dat hij nog steeds een hersenkneuzing heeft. Als gevolg hiervan heeft hij epileptische aanvallen, waarvoor hij medicijnen moet slikken.
Het derde slachtoffer, [de aangever 2] , had volgens de medische informatie een wond aan zijn bovenlip die gehecht moest worden, een bloeduitstorting op het achterhoofd en een snijwond die gelijmd is. Daarnaast had hij een gebroken nekwervel, een gebroken schedel, een kneuzing van zijn hersenen, een bloeding rond of in de hersenen onder het spinnenwebvlies, een bloeding tussen het spinnenwebvlies en het harde hersenvlies en kneuzingen van de voorste hersenkwab. Het gedeelte van de hersenen waar de hersenkneuzing werd geconstateerd, regelt het aansturen van het gedrag, waardoor het zeer goed mogelijk is dat [de aangever 2] gedragsproblemen zal ondervinden in de toekomst. Daarnaast heeft hij moeite met het onthouden van informatie. Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van [de aangever 2] blijkt dat hij geen herinneringen meer heeft aan de eerste dagen na het incident. Hij heeft geen reukzin meer en dit zal ook niet meer herstellen. Hij heeft twee weken in het ziekenhuis gelegen en daarna nog drie weken verbleven in een revalidatiecentrum. Vervolgens heeft hij nog acht maanden fysiotherapie gehad. Hij is geruime tijd arbeidsongeschikt geweest. Over de eindsituatie is niets bekend.
Overige relevante aspecten
Uit het dossier is op te maken dat de gebeurtenis enorme beroering en onrust heeft veroorzaakt in Egmond. Zelfs zodanig dat de lokale ondernemersvereniging een beloning van € 5.000,- heeft uitgeloofd voor de tip die zou leiden tot aanhouding en veroordeling van de daders. Deze oproep leverde echter geen informatie op. De verdachte en zijn mededaders hebben zich niet bij de politie gemeld, maar hebben zich in onderlinge afstemming onttrokken aan de opsporing. Ze hebben, in de wetenschap dat de gevolgen van het gepleegde geweld buitengewoon ernstig waren, afgewacht totdat ze na 2,5 maanden door de politie werden aangehouden. Uit de verklaringen van betrokkenen, onder wie enkele verdachten, wordt duidelijk dat het melden bij de politie onderwerp van gesprek is geweest en dat zij er bewust voor hebben gekozen hiervan af te zien.
Dit alles laat geen andere conclusie toe dan dat er sprake is geweest van openlijk geweld van de buitencategorie waarvoor de verdachte aanvankelijk geen enkele verantwoordelijkheid heeft willen nemen.
De positie van de verdachte
De gang van zaken op de plaats van het delict en de verklaringen van de verdachte daarover, die daar niet geheel bij passen, roepen minst genomen vragen op over de openheid van de verdachte over zijn aandeel in het bewezen verklaarde openlijk in vereniging gepleegde geweld. Dat neemt niet weg dat naar het oordeel van de rechtbank te sterke contra-indicaties bestaan voor de conclusie dat zijn bijdrage van dezelfde aard en intensiteit is geweest als die van zijn medeverdachten [de medeverdachte 1] en [de medeverdachte 2] . Deze zijn gelegen in de verklaringen van de medeverdachte [de medeverdachte 1] en in de verklaring van getuige [de getuige] dat de verdachte er “als een zoutzak” bijstond. Deze bieden bevestiging voor de eigen verklaring van de verdachte over zijn beperkte rol in het geweld.
Toepassing jeugdstrafrecht?
De verdediging heeft verzocht om het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De verdachte was op het moment dat het bewezen verklaarde feit werd gepleegd 19 jaar oud en dus meerderjarig. In beginsel wordt ten aanzien van meerderjarige daders het volwassenenstrafrecht toegepast. De rechtbank kan bij wijze van uitzondering op de hoofdregel op grond van artikel 77c Sr, het sanctierecht voor jeugdigen toepassen bij een verdachte die ouder is dan 18 jaar en niet ouder is dan 23 jaar, indien zij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De enkele jeugdige leeftijd van de verdachte kan als regel dus geen grond zijn voor toepassing van het adolescentenstrafrecht. Er moet sprake zijn van één of meer van de in artikel 77c, eerste lid, Sr genoemde aanvullende omstandigheden. De rechtbank ziet, gelet op de bevindingen in het psychologisch onderzoek Pro Justitia van 21 december 2017, dat de verdachte niet lijdt aan een stoornis of gebrekkige ontwikkeling en leeftijdsadequaat functioneert, en nu overigens een advies ontbreekt om een jeugdsanctie toe te passen, geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen.
Conclusie
Ter zitting heeft de verdachte gesproken over zijn persoonlijke omstandigheden. Het gaat nu beter met hem dan ten tijde van het bewezenverklaarde, hij werkt veel, heeft een relatie en heeft zijn leven op orde. Hoewel de rechtbank oog heeft voor deze omstandigheden, vallen deze in het niet bij de ernst van het bewezenverklaarde en de blijvende schade die is aangericht bij de slachtoffers. De rechtbank gaat echter, gelet op de hiervoor bedoelde contra-indicaties in het dossier, voorzichtigheidshalve uit van een aandeel van de verdachte in het groepsgeweld dat geringer is dan dat van zijn medeverdachten.
De rechtbank heeft voorts gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 9 februari 2021. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten strafrechtelijk is veroordeeld, zodat dit niet in zijn nadeel weegt.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat bij wijze van uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden passend en geboden is.
Redelijke termijn
Met de officier van justitie en de raadsvrouw van de verdachte ziet de rechtbank in het tijdsverloop in deze zaak aanleiding om ten voordele van de verdachte hiervan af te wijken.
In artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld (vgl. ECLI:NL:HR:2008:BD2578).
De rechtbank stelt vast dat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen op 19 juli 2017, omdat de verdachte op die dag in verzekering is gesteld. De verdachte kon daaraan in redelijkheid de verwachting ontlenen dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Het eindvonnis wordt heden, op 18 maart 2021, gewezen. Bij de berekening van de maatstaf voor de redelijke termijn heeft de rechtbank rekening gehouden met de complexiteit van de zaak. Door tussentijdse ontwikkelingen (in het bijzonder nieuwe of gewijzigde verklaringen en aanvullende informatie over rol en aandeel van elk van de geweldplegers) heeft de officier van justitie drie maal een vordering bij de rechter-commissaris gedaan voor nader onderzoek. Daarop is telkens toewijzend beslist en hebben vervolgens vele getuigenverhoren plaatsgevonden. Tussen de eerste vordering van de officier van justitie aan de rechter-commissaris op 17 juli 2018 en het laatste getuigenverhoor op 28 januari 2020 is sprake geweest van tijdverloop van ongeveer anderhalf jaar. Daaraan voorafgaand is sprake geweest van intensief opsporingsonderzoek waarbij één van de slachtoffers pas op 8 november 2017 kon worden gehoord. Ervan uitgaand dat daarnaast met het aanbrengen en berechten van de zaak enige tijd is gemoeid acht de rechtbank het passend om uit te gaan van een termijn van tweeënhalf jaar waarbinnen tot een eindvonnis had moeten worden gekomen. De rechtbank stelt, anders dan de raadsman en de officier van justitie, de duur van de overschrijding van de redelijke termijn daarom vast op één jaar en twee maanden. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn resulteert in deze zaak erin dat de rechtbank de duur van de op te leggen gevangenisstraf dient te verlagen. Gelet op de resterende duur van deze straf, ziet de rechtbank aanleiding voor oplegging van een taakstraf van de maximale duur.

7.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht zijn van toepassing.

8.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
240 (tweehonderdveertig) uren taakstrafdie bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die de verdachte in verzekering heeft doorgebracht, twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.
Heft ophet reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.M. Steinhaus, voorzitter,
mr. K.I. de Jong en mr. N.M.L. Rogmans, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.D. Renshof,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 maart 2021.
mr. K.I. de Jong en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.