De rechtbank Noord-Holland heeft op 22 januari 2021 uitspraak gedaan in een zaak waarin de officier van justitie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel had ingesteld tegen veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor diefstal in vereniging.
De officier van justitie had aanvankelijk een bedrag van €479.183,- gevorderd, maar stelde dit tijdens de zitting bij tot €20.000,- en uiteindelijk tot €4.500,-, gebaseerd op de concrete verklaringen van veroordeelde en ondersteunend dossierbewijs zoals tapgesprekken. Veroordeelde had verklaard dat hij drie betalingen ontving, in totaal €4.500,-, als vergoeding voor het wegnemen en rijden van een geparkeerde vrachtauto.
De rechtbank achtte het aannemelijk dat veroordeelde dit bedrag wederrechtelijk had verkregen en legde hem de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. Er werd geen aanleiding gezien om het bedrag te verlagen wegens onvoldoende draagkracht. Tevens werd een gijzelingstermijn van 55 dagen bepaald als dwangmiddel bij niet-betaling.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer, waarbij mr. H.D. Overbeek voorzitter was en mr. S. Sicking en mr. J.J.M. Uitermark rechters waren. Mr. Sicking kon het vonnis echter niet mede ondertekenen.