Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.de procedure
- de brief van Hamming van 7 december 2020, waarin hij verzoekt om een gesprek met de kantonrechter;
- de mails van [verzoeker] van 27 november, 4 december, 7 december, 9 december,
- de brieven van [belanghebbende 5] van 17 december 2020 en 4 januari 2021 en haar mails van
- de mail van [belanghebbende 4] van 12 januari 2021;
- de mails van [belanghebbende 6] van 11 januari, 16 januari en 3 februari 2021;
- de brief van [belanghebbende 3] van 12 januari 2021, zijn mail van 13 januari 2021 en zijn brief van 16 januari 2021;
- de brief van [belanghebbende 2] , ter griffie ingekomen op 2 februari 2021;
- de mails van 7 januari, 12 januari, 18 januari, 19 januari en 21 januari 2021 van
- het verzoekschrift met bijlagen van mr. A.J. de Zinger en
- de mail van mr. I.E. Smit-Kleinmoedig van 18 januari, haar brief van 18 januari 2021 en de mails van 20 januari en 22 januari 2021;
- het verweerschrift met bijlagen van mr. I.E. Smit-Kleinmoedig, ter griffie ingekomen per mail op 29 januari en per post op 1 februari 2021.
- de mail van mr. A.J. de Zinger en mr. E.C.C. Klarus-Blomjous van 5 februari 2021 inhoudende een pleitnota.
- [verzoeker] met mr. de Zinger en mr. Klarus-Blomjous en de dochter van [verzoeker] ;
- [belanghebbende 5] en haar echtgenoot;
- [belanghebbende 6] en haar echtgenoot;
- Hamming met mr. Smit-Kleinmoedig.