ECLI:NL:RBNHO:2021:1873

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 februari 2021
Publicatiedatum
8 maart 2021
Zaaknummer
21/728
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Everaerts
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij illegale bouw

De rechtbank Noord-Holland behandelde een zaak waarin het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad een besluit nam om gebouwen die zonder vereiste omgevingsvergunning waren gebouwd te verwijderen en de illegale bewoning te staken. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening alleen kan worden getroffen indien onverwijlde spoed dat vereist. Omdat het college de uitvoering van het besluit had opgeschort tot zes weken na de beslissing op bezwaar, was er geen noodzaak om een voorlopige voorziening te treffen. De gevolgen van het besluit zouden zich pas na die termijn manifesteren, en alleen indien het bezwaar ongegrond werd verklaard.

Daarnaast stelde de voorzieningenrechter dat het aanstaande hoorzittingmoment benut kon worden om eventuele onduidelijkheden te bespreken. Gezien deze omstandigheden ontbrak het spoedeisend belang voor de gevraagde voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter wees het verzoek daarom buiten zitting af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/728

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. H. Elmas),

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder.

Procesverloop

Na constatering dat de gebouwen aan de [adres] zijn gebouwd zonder daartoe vereiste omgevingsvergunning, heeft verweerder verzoeker bij besluit van 29 september 2020 op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- ineens – kort samengevat – gelast om de gebouwen voor 31 maart 2021 te verwijderen/terug te brengen in de oude staat en de illegale bewoning daarvan per die datum te staken en gestaakt te houden.
Verzoeker heeft tegen het besluit van 29 september 2020 (het bestreden besluit) bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter in verband met het bestreden besluit verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
3. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband als volgt.
3.1
Verweerder heeft op 11 december 2011 besloten dat hij de uitvoering van het besluit zal opschorten tot 28 april 2021, zes weken na de datum waarop de beslissing op bezwaar moet zijn beslist. Er is gelet hierop naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen noodzaak om hangende bezwaar een voorlopige voorziening te treffen. De gevolgen van het bestreden besluit laten zich immers pas zes weken nadat op bezwaar is beslist voelen, en alleen als het bestreden besluit in bezwaar onverkort gehandhaafd blijft.
3.2
De stelling dat een hoorzitting aanstaande is en verzoekster meent nog niet over alle op de zaak betrekking hebbende stukken te beschikken maakt het voorgaande niet anders, integendeel, de hoorzitting kan juist worden benut om dit (nogmaals) aan de orde te stellen.
3.3
De conclusie is daarom dat er geen enkel spoedeisend belang is om, zoals verzocht, hangende bezwaar een voorlopige voorziening te treffen.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom vanwege het - kennelijk - ontbreken van spoedeisend belang, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten zitting af.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Everaerts, voorzieningenrechter, in aanwezigheid vanmr. E. Degen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2021.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.