Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.[belanghebbende 1]
[belanghebbende 2]
Rechtbank Noord-Holland
In deze zaak verzocht een erfgenaam de kantonrechter om op grond van artikel 4:191 lid 2 BW Pro beheersmaatregelen te treffen, waaronder de verkoop van een woning behorende tot de nalatenschap. De woning stond leeg en de verzoeker stelde dat de kosten opliepen en het pand verpauperde.
De verweerder betwistte de noodzaak van verkoop, wijzend op het ontbreken van een verklaring van erfrecht en een boedelbeschrijving, en stelde dat de omvang van de nalatenschap nog onvoldoende duidelijk was. Ook was onduidelijk wat de staat en kosten van de woning waren.
De kantonrechter oordeelde dat de erfgenamen hun keuze over aanvaarding of verwerping nog niet hadden gemaakt, waardoor de nalatenschap nog niet volledig was aanvaard. De verzoeker had onvoldoende onderbouwd waarom verkoop noodzakelijk was voor het behoud van het goed. Gezien de ingrijpende aard van verkoop en het ontbreken van spoedeisendheid werd het verzoek afgewezen.
De kantonrechter bepaalde dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en sprak de beschikking uit zonder zitting.
Uitkomst: Verzoek tot verkoop woning uit nalatenschap wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en nog niet gemaakte keuze erfgenamen.