ECLI:NL:RBNHO:2021:12636

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 oktober 2021
Publicatiedatum
1 februari 2022
Zaaknummer
15.174987.21 ontneming
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit cocaïnesmokkel vastgesteld op €3.500

De rechtbank Noord-Holland heeft op 18 oktober 2021 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die was veroordeeld voor invoer van cocaïne. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €3.500, gebaseerd op de opbrengst die de veroordeelde ontving voor het vervoeren van een koffer met drugs.

Tijdens de terechtzitting op 4 oktober 2021 werd de veroordeelde gehoord, evenals haar raadsman en de officier van justitie. De ontnemingsrapportage, opgesteld door een adjudant-onderofficier van de Koninklijke Marechaussee, vormde een belangrijke bron voor de vaststelling van het voordeel. De veroordeelde verklaarde zelf dat zij €1.500 ontving bij het inchecken van de koffer en later nog eens €2.000 na aankomst in Nederland.

De rechtbank oordeelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel €3.500 bedraagt en dat de veroordeelde niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij onvoldoende financiële draagkracht heeft om aan de betalingsverplichting te voldoen. De ontnemingsmaatregel werd daarom opgelegd op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, met een maximale gijzelingstermijn van 70 dagen voor het geval niet wordt betaald.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €3.500 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/174987-21 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum : 18 oktober 2021
Vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr)
Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie van 2 september 2021ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 Sr in de zaak tegen de veroordeelde:
[naam veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans gedetineerd in P.I. Utrecht, locatie Nieuwersluis.

1.De vordering

De officier van justitie heeft bij vordering van 2 september 2021 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, lid 5 Sr zal vaststellen op
€ 3.500en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie baseert de vordering op de strafbare feiten waarvoor veroordeelde is gedagvaard om op 4 oktober 2021 te verschijnen voor de meervoudige strafkamer in deze rechtbank.

2.Het verloop van de procedure

De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 4 oktober 2021.
Het onderzoek heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2021. Daarbij zijn gehoord de veroordeelde, haar raadsman mr. F.D.W. Siccama, advocaat te Amsterdam-Duivendrecht, en de officier van justitie.
Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 18 oktober 2021.

3.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering voorgedragen en gepersisteerd bij de vordering.

4.Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsman

De raadsman heeft zich ter terechtzitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de ontnemingsvordering.

5.De grondslag van de vordering en de veroordeling

Bij gelijktijdig gewezen vonnis van deze rechtbank van 18 oktober 2021 is betrokkene veroordeeld ter zake – kort gezegd – invoer van cocaïne.
Op grond van deze veroordeling kan aan de veroordeelde op grond van art 36 e, tweede lid, Wetboek van Strafrecht de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van het ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde strafbare feit.
5.1.
De ontnemingsrapportage
Op 16 juli 2021 heeft verbalisant [verbalisant], adjudant-onderofficier werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee, een rapport opgesteld betreffende het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als de ontnemingsrapportage.
De rechtbank heeft bovendien de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak.

6.De beoordeling van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen
uit de baten van het in de strafzaak bewezenverklaarde feit. Dit voordeel dient haar te
worden ontnomen.
De rechtbank grondt dit oordeel op de feiten en omstandigheden die in de ontnemingsrapportage zijn vervat alsmede op de verklaring van de veroordeelde ter
terechtzitting.
Uit de ontnemingsrapportage en de verklaring van veroordeelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat zij de koffer heeft ingecheckt, wetende dat er drugs in die koffer zat en dat zij hiervoor geld heeft gekregen. Zij heeft verklaard dat zij – nadat ze de koffer had ingecheckt op Hato – al € 1.500 heeft gekregen en later, toen ze in Nederland was, nog eens € 2.000 heeft gekregen, omdat ze het werk had gedaan.
Opbrengst
De opbrengst/vergoeding komt opgeteld neer op ( € 1.500 + € 2.000 = ) € 3.500
Kosten
Veroordeelde heeft ter terechtzitting verklaard dat Duth haar vliegticket heeft betaald en zelf geen kosten gemaakt, die in mindering op de opbrengst dienen te worden gebracht.
Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel wordt derhalve geschat op € 3.500.

7.Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een haar op te leggen betalingsverplichting te voldoen.
Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door de veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.
De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door de veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op
€ 3.500 [drieduizend vijfhonderd euro].

8.Toepasselijke wettelijke bepaling

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank:
Stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op € 3.500 [drieduizend vijfhonderd euro].
Legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van
€ 3.500 [drieduizend vijfhonderd euro]ter ontneming van door haar wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 70 dagen.

10.Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:
mr. V.J.M. Goldschmeding, voorzitter,
mr. M. Visser en mr. H.D. Overbeek, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.S. Jansen,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 oktober 2021.
mr. V.J.M. Goldschmeding is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.