ECLI:NL:RBNHO:2021:12520

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 december 2021
Publicatiedatum
18 januari 2022
Zaaknummer
HAA 21/4375
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling Gedeputeerde Staten Noord-Holland in proceskosten wegens openbaarmaking handtekeningen

Verzoekers hebben op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) informatie opgevraagd over het project Bloemendalerpolder te Weesp. In het primaire besluit van 8 september 2021 werd aan dit verzoek tegemoetgekomen, maar werden ook handtekeningen van verzoekers openbaar gemaakt. Verzoekers maakten bezwaar tegen deze openbaarmaking vanwege de zeer persoonlijke aard van de informatie en vroegen om een voorlopige voorziening.

Naar aanleiding van het bezwaar liet verweerder weten dat de handtekeningen inmiddels geanonimiseerd waren. Hierop trokken verzoekers hun verzoek om voorlopige voorziening in en verzochten zij om een proceskostenvergoeding. Verweerder erkende dat het laten staan van de handtekeningen onverhoopt en onbedoeld was, maar zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder aan het verzoek van verzoekers was tegemoetgekomen door de anonimisatie van de handtekeningen, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening kwam te vervallen. Gezien deze tegemoetkoming veroordeelde de voorzieningenrechter verweerder tot vergoeding van de proceskosten van verzoekers, vastgesteld op € 748,-. Tevens wees de voorzieningenrechter erop dat het betaalde griffierecht door verweerder kan worden vergoed.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 748,- proceskosten aan verzoekers wegens onbedoelde openbaarmaking van handtekeningen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/4375

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 december 2021 in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , te [woonplaats], verzoekers

(gemachtigde: mr. H. van Drunen),
en

Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 8 september 2021 (primair besluit) is verweerder aan het verzoek van verzoekers om informatie over het project bloemendalerpolder te Weesp op grond van de Wob [1] tegemoetgekomen.
Vanwege de openbaarmaking van zeer persoonlijke informatie (handtekeningen) van verzoekers hebben verzoekers tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Tevens hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief van 14 oktober 2021 heeft verweerder de rechtbank laten weten dat de betreffende handtekeningen inmiddels zijn geanonimiseerd.
Naar aanleiding hiervan hebben verzoekers het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.
Verweerder heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat het laten staan van de handtekening van verzoekers in enkele documenten onverhoopt en onbedoeld heeft plaatsgevonden. Aanpassing in dit kader dient gezien te worden als een aanpassing in de uitwerking van het besluit. Het besluit zelf wordt in dit kader niet herroepen omdat het reeds voorziet in het weigeren van de persoonsgegevens van verzoekers, zoals ook in het besluit is opgenomen. Verweerder ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Er is geen sprake van herroeping van het betreffende besluit vanwege een aan hen te wijten onrechtmatigheid.
Verzoekers stellen zich op het standpunt dat uit het besluit niet blijkt dat verweerder de intentie had de informatie te weigeren. Er is een uitdrukkelijk voorbehoud gemaakt in de categorieën handtekeningen die geweigerd zouden worden. Verzoekers vallen niet in die categorieën. De openbaarmaking van de deze informatie, zelfs als verweerder later erkent dat dit “onverhoopt en onbedoeld” is geschied, is te zien als aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.
Nadat partijen zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord en niet binnen de gestelde termijn hebben verklaard gebruik te willen maken van dat recht, heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Awb [2] zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb [3] . Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. De vraag die voorligt is of verweerder geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan verzoekers. Dat is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het geval. Het is vaste rechtspraak dat de vraag of en in hoeverre het bestuursorgaan tegemoet is gekomen aan de verzoeker in een voorlopige voorzieningenprocedure moet worden gerelateerd aan het specifieke doel van die procedure, te weten het voorkomen van onevenredig nadeel hangende bezwaar of de bodemprocedure. In dit geval heeft verweerder in de brief van
14 oktober 2021 laten weten dat de betreffende handtekeningen inmiddels zijn geanonimiseerd. Verweerder is daarmee tegemoetgekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening. Het verzoek was immers gericht op het beëindigen van de openbaarmaking van de gegevens. Verweerder is hiermee aan verzoekers tegemoet gekomen.
4. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 748,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een wegingsfactor 1).
5. De voorzieningenrechter wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:82, zesde lid, van de Awb het door verzoeker betaalde griffierecht van € 181,- kan vergoeden. Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 748,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Jochem, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.C. Karels, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2021.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Wet openbaarheid van bestuur
2.Algemene wet bestuursrecht
3.Besluit proceskosten bestuursrecht