Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 16 december 2021 in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats] (Frankrijk), eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Nijmegen, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
In order to determine the non-preferential origin of the bicycles exported to the EU, OLAF made an analysis of the available cost break-down of bicycles declared by [onderneming] . Ltd. To the Cambodian authorities. The analysis revealed that the company imported materials and parts from other countries. Article 24 of the Community Customs Code is therefore applicable for the determination of the non-preferential origin.
Geschil6. In geschil is de niet-preferentiële oorsprong van de rijwielen.Eiseres stelt zich op het standpunt dat de niet-preferentiële oorsprong van de rijwielen Cambodja is. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de niet-preferentiële oorsprong van de rijwielen China is.
the first groupen
the second group) en constateert ten aanzien van de eerste groep dat het productieproces niet kan worden vastgesteld, omdat de fabriek van eiseres op het moment dat het onderzoek van OLAF plaatsvond reeds was gesloten Aangezien ook ten aanzien van deze tweede groep rijwielen geldt dat de fabriek reeds was gesloten, zijn de bevindingen van OLAF op dit punt niet te begrijpen. Voorts betoogt eiseres dat de niet-preferentiële oorsprong Cambodja op basis van artikel 24 CDW Pro dient te worden vastgesteld en derhalve niet wordt toegekomen aan toepassing van de niet-officiële (rechtens niet bindende) lijstregels. Aangezien volgens eiseres vaststaat dat de rijwielen de preferentiële oorsprong Cambodja hebben, staat vast dat in Cambodja meer is gebeurd dan alleen simpele assemblage. De in Cambodja verrichte bewerkingen kwalificeren als laatste bewerking in de zin van artikel 24 CDW Pro, omdat 1) in de fabriek te Cambodja de fabricage van fietsen plaatsvond, 2) die fabricage plaatsvond in een daartoe ingerichte onderneming en 3) het een belangrijk fabricagestadium betrof (verven, lassen, solderen, modificeren en assembleren van onderdelen, waaronder tubes). Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) heeft, zo betoogt eiseres, in het arrest van 8 maart 2007 (C-447/05 en C-448/05, Thomson Multimedia Sales Europe en Vestel France, ECLI:EU:C:2007:151, punt 26) reeds bepaald dat assemblage van rijwielen een ingrijpende be- of verwerking vormt en oorsprong bepalend kan worden geacht. De bestemming van de gebruikte samenstellende delen wordt immers geconcretiseerd en de rijwielen verkrijgen hun specifieke kwalitatieve eigenschappen. De waarde van de gebruikte materialen is volgens eiseres geen geschikt criterium om de niet-preferentiële oorsprong vast te stellen. De toegevoegde waarde dient als duidelijk en objectief criterium gebruikt te worden.. Eiseres verwijst in dit kader naar het arrest van het HvJ van 10 december 2009 (C-260/08, ECLI:EU:C:2009:768, HEKO Industrieerzeugnisse GmbH, punt 31) en het hiervoor genoemde arrest van 8 maart 2007 in de zaak Thomson Multimedia Sales Europe en Vestel France, punten 27 en 39. Indien de toegevoegde waarde als criterium wordt gebruikt leidt dat tot de conclusie dat ongeveer de helft van de in de utb opgenomen rijwielen niet de niet-preferentiële oorsprong China heeft. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst eiseres tot slot op artikel 38 van Pro de Toepassingsverordening van het CDW (hierna: TCDW), dat in het hoofdstuk over de niet-preferentiële oorsprong is opgenomen, en artikel 78 TCDW Pro dat in het hoofdstuk over de preferentiële oorsprong is opgenomen. Deze artikelen zijn gelijkluidend en het kan dan niet zo zijn dat de rijwielen wél de preferentiële oorsprong Cambodja hebben, maar niet de niet-preferentiële oorsprong Cambodja.
Eiseres verzoekt de rechtbank om haar beroep gegrond te verklaren en de uitspraak van verweerder op haar bezwaarschift te vernietigen, met veroordeling van verweerder in de proceskosten.
Verweerder vraagt de rechtbank om het beroep ongegrond te verklaren en als het beroep gegrond wordt verklaard de proceskostenvergoeding conform het puntensysteem toe te kennen.
the first groupen
the second group). Voor eiseres is onbegrijpelijk dat voor de tweede groep rijwielen het productieproces wel door OLAF kon worden vastgesteld maar voor de eerste groep rijwielen niet. Dit terwijl de fabriek in Cambodja ten tijde van het gehele onderzoek was gesloten. Daarnaast stelt eiseres dat de toepasselijke terminologie zowel bij de preferentiële oorsprong als bij de niet-preferentiële oorsprong op dezelfde manier moet worden toegepast. Zij wijst in dat kader naar de artikelen 38 en 78 TCDW. Volgens eiseres volgt uit de vaststelling van de preferentiële oorsprong dat ook de niet-preferentiële oorsprong vaststaat.
“The company supplied in each case a seperate cost sheet for the production of the frame in Cambodia and therefore claimed Cambodian origin for the frames”)en dat OLAF het productieproces niet heeft kunnen controleren omdat de fabriek in Cambodja inmiddels was gesloten. In de tweede groep rijwielen zijn alle onderdelen van de rijwielen, ook de frames, geïmporteerd uit derde landen, waarna in Cambodja eenvoudige assemblagewerkzaamheden hebben plaatsgevonden en de rijwielen zijn geverfd (zie p. 7 van het hiervoor aangehaalde eindrapport van OLAF). OLAF heeft deze vaststelling onder meer gebaseerd op informatie afkomstig van de Cambodjaanse autoriteiten. Eenvoudige assemblagewerkzaamheden en het verven van de rijwielen zijn volgens OLAF geen toereikende ver- of bewerkingen in de zin van artikel 24 CDW Pro.
in the case of Cambodia as a developing country, the preferential origin rule for bicycles of HS heading 8712 stipulates the manufacture in which the value of all non-originating materials used not exceed 70% of the ex-work price”.
kanzijn om te bepalen of sprake is van de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking, maar uit die arresten volgt niet dat dat het enige criterium is.