Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De procedure
2.De verdere beoordeling
Uit de inhoud van het tegen mr. Gisolf gerichte verzoek volgt dat het is gedaan naar aanleiding van de zitting van 31 mei 2021.
Rechtbank Noord-Holland
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen twee rechters, waarbij de wrakingskamer hem eerst in de gelegenheid stelde een nadere onderbouwing te geven. De feiten en omstandigheden die aanleiding gaven voor het wrakingsverzoek waren respectievelijk bekend sinds 3 juni 2020 en 31 mei 2021, maar het verzoek werd pas op 9 augustus 2021 ingediend.
De wrakingskamer oordeelde dat het tijdsverloop tussen het bekend worden van de wrakingsgronden en de indiening van het verzoek uitzonderlijk lang was. Verzoeker gaf aan het verzoek uit te stellen uit vrees voor nadelige effecten op de hoofdzaken, maar dit werd niet als voldoende rechtvaardiging gezien. Er was ook geen bewijs dat verzoeker de tijd had benut voor nader onderzoek of juridisch advies.
Op grond van artikel 31 lid 1 Rv Pro moet een wrakingsverzoek worden gedaan zodra de wrakingsgronden bekend zijn. Omdat verzoeker hier niet aan voldeed, werd het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en buiten behandeling gesteld. De zaken worden voortgezet zoals ze stonden op het moment van indiening van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.