ECLI:NL:RBNHO:2021:10685
Rechtbank Noord-Holland
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring na echtscheiding bevestigd ondanks onjuiste motivering
Eiser heeft na zijn echtscheiding zijn woning moeten verlaten en woont sindsdien zonder vaste woonplek. Hij vroeg een urgentieverklaring aan bij de gemeente Zaanstad, die deze aanvankelijk afwees. Na bezwaar handhaafde de gemeente de afwijzing. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank constateerde dat de gemeente ten onrechte de Huisvestingsverordening 2018 toepaste in plaats van de per 25 december 2020 geldende Huisvestingsverordening 2021. Dit leidde echter niet tot een andere uitkomst omdat de regels omtrent urgentieverklaringen gelijk zijn gebleven.
Verder oordeelde de rechtbank dat de gemeente ten onrechte een weigeringsgrond toepaste die niet op eiser van toepassing was, omdat hij ten tijde van het bestreden besluit geen dak boven zijn hoofd had, wat een urgent huisvestingsprobleem oplevert. Desondanks behoort eiser niet tot de in de verordening genoemde urgentiecategorieën, zoals acute noodsituaties of sociaal-medische urgentie.
Eiser had onvoldoende feiten aangevoerd om een sociaal-medische urgentie aan te tonen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand, waardoor de afwijzing van de urgentieverklaring blijft. Verweerder moet het betaalde griffierecht aan eiser vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de afwijzing van de urgentieverklaring blijft in stand.