ECLI:NL:RBNHO:2021:10292

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 november 2021
Publicatiedatum
12 november 2021
Zaaknummer
8907298 CV EXPL 20-10182
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieclaim passagier wegens vluchtvertraging door buitengewone omstandigheden

De passagier vorderde compensatie van €400 wegens vertraging van een vervangende vlucht TP824 uitgevoerd door TAP Air Portugal, nadat de oorspronkelijke vlucht TP1095 was vertraagd en aansluitende vluchten werden gemist.

De vervoerder betwistte de ontvankelijkheid van de vordering vanwege onduidelijkheid over de volmacht van EUclaim en voerde subsidiair aan dat compensatie niet toekomt wegens buitengewone omstandigheden (ATFM restricties door slecht weer) en dat alleen de oorspronkelijke vlucht relevant is voor compensatie.

De rechtbank oordeelde dat de passagier voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat EUclaim hem rechtsgeldig vertegenwoordigt en dat compensatie ook kan worden gevorderd voor de vertraagde vervangende vlucht volgens Europese rechtspraak.

De vertraging werd echter toegerekend aan buitengewone omstandigheden, namelijk ATFM restricties opgelegd door luchtverkeersleiding vanwege slecht weer, en de vervoerder had alle redelijke maatregelen getroffen om vertraging te beperken, waaronder een passende overstaptijd en omboeking naar het eerst mogelijke alternatief.

Daarom werd de vordering tot compensatie afgewezen en werd de passagier veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot compensatie wegens vluchtvertraging wordt afgewezen vanwege buitengewone omstandigheden en voldoende maatregelen door de vervoerder.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8907298 CV EXPL 20-10182
Uitspraakdatum: 10 november 2021
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[de passagier]
wonende te [woonplaats] (Spanje)
eiser
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim)
tegen
de buitenlandse rechtspersoon
TAP Air Portugal
statutair gevestigd te Lissabon (Portugal)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. L.E. Schalk en mr. E.A. Pluijm

1.Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:
  • het vorderingsformulier, ingekomen ter griffie op 30 november 2020;
  • het antwoordformulier, ingekomen ter griffie op 11 maart 2021;
  • de beschikking van 9 juni 2021 ter bepaling van de comparitie van partijen;
  • akte aanvullende producties van de passagier, ingekomen ter griffie op 5 oktober 2021;
  • akte aanvullende producties van de vervoerder, ingekomen ter griffie op 6 oktober 2021;
1.1.
Op 13 oktober 2021 heeft de comparitie van partijen plaatsgevonden en hebben partijen hun standpunten aan de hand van pleitnotities toegelicht, waarna vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Valencia (Spanje) naar Lissabon (Portugal) met vlucht TP1095 en vervolgens vanuit Lissabon naar Amsterdam met vlucht TP672 op 4 december 2018.
2.2.
Vlucht TP1095 is vertraagd uitgevoerd en de passagier heeft de aansluitende vlucht TP672 gemist en werd vervolgens door de vervoerder omgeboekt op de vervangende vluchten TP824 van Lissabon naar Milaan (Italië) om vervolgens door te vliegen vanuit Milaan naar Amsterdam met vlucht KL1634.
2.3.
De vervangende vlucht TP824 werd vertraagd uitgevoerd en de passagier heeft de aansluitende vlucht KL1634 gemist en werd wederom omgeboekt op een vervangende vlucht KL1628 van Milaan naar eindbestemming Amsterdam, alwaar de passagier arriveerde op 5 december 2018 om 08:35 uur lokale tijd.
2.4.
De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging van vlucht TP824.
2.5.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 400,00 aan compensatie, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 90,75 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 november 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten en de nakosten.
3.2.
De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de passagier te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 400,00.

4.Het verweer

4.1.
De vervoerder heeft de vordering betwist en voert primair aan dat de passagier niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in zijn vordering. Zonder een leesbare kopie van het identiteitsbewijs van de passagier kan de vervoerder niet controleren of de handtekening van de passagier op de volmacht overeenkomt met zijn handtekening op het identiteitsbewijs. Aldus kan niet worden vastgesteld of een rechtsgeldige volmacht is overgelegd en zodoende kan ook niet worden vastgesteld of EUclaim de passagier rechtens vertegenwoordigt in de onderhavige procedure.
4.2.
Daarnaast heeft de vervoerder subsidiair meerdere verweren gevoerd die hieronder kort samengevat worden weergegeven, te beginnen met de stelling van de vervoerder dat de passagier geen recht heeft op compensatie omdat de passagier zich ten aanzien van de compensatie beroept op de vertraging van een vervangende vlucht TP824, terwijl een passagier alleen een beroep kan doen op compensatie ten aanzien van zijn oorspronkelijk vlucht, welke vlucht in het onderhavige geval vlucht TP1095 betreft.
4.3.
Voorts voert de vervoerder aan dat de compensatie van de passagier moet worden afgewezen omdat de vertraging van de oorspronkelijke vlucht (TP1095) het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden, namelijk ATFM restricties wegens slechte weersomstandigheden, die ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.
4.4.
Verder voert de vervoerder aan dat, voor het geval dat de rechtbank oordeelt dat moet worden aangesloten bij de vertragingsoorzaak van de vervangende vlucht (TP824), de compensatie eveneens moet worden afgewezen omdat ook de vertraging van die vlucht het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden, te weten ATFM restricties die werden opgelegd wegens slechte weersomstandigheden.
4.5.
Tot slot voert de vervoerder aan dat, voor zover de rechtbank oordeelt dat de passagier recht heeft op compensatie, de passagier slechts recht heeft op compensatie van € 250,00 in plaats van de gevorderde € 400,00. Immers, gekeken dient te worden naar de vliegafstand tussen Valencia en Amsterdam, welke vliegafstand minder dan 1.500 kilometer bedraagt. Ook maakt de vervoerder bezwaar tegen de buitengerechtelijke kosten en nakosten.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
5.2.
Ten aanzien van het door de vervoerder primair gevoerde verweer overweegt de kantonrechter het volgende. Het is aan de passagier om te onderbouwen dat de passagier daadwerkelijk een machtiging heeft afgegeven aan EUclaim om namens de passagier diens vordering te verhalen op de vervoerder. Dit kan door een kopie van het ID bewijs of een paspoort over te leggen. Niet zo zeer om te controleren of de handtekening overeenkomt, maar om vast te stellen of de passagier daadwerkelijk EUclaim heeft gemachtigd. De passagier heeft bij akte onder andere een nieuwe kopie van zijn paspoort overgelegd. Naar het oordeel van de kantonrechter is hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat de passagier EUclaim heeft gemachtigd om namens hem in rechte op te treden in verband met de onderhavige kwestie. De passagier zal dan ook ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering tot compensatie.
5.3.
De vervoerder heeft aangevoerd dat de passagier geen recht heeft op compensatie omdat de passagier zich ten aanzien van de compensatie beroept op de vertraging van een vervangende vlucht, te weten vlucht TP824. De passagier kan volgens de vervoerder alleen een beroep doen op compensatie ten aanzien van zijn oorspronkelijk vlucht, welke vlucht in het onderhavige geval vlucht TP1095 betreft. De kantonrechter volgt de vervoerder hierin niet. Het Hof heeft immers bepaald (in zaak C832/18; ECLI:EU:C:2020:204) dat een passagier die compensatie heeft gekregen wegens annulering van de vlucht en een vervangende vlucht heeft aanvaard, aanspraak kan maken op compensatie wegens vertraging van de vervangende vlucht, wanneer de vertraging lang genoeg heeft geduurd om recht te geven op compensatie en de luchtvaartmaatschappij die de andere vlucht uitvoert dezelfde is als de luchtvaartmaatschappij van de geannuleerde vlucht. Hieruit volgt dat de luchtreiziger die na aanvaarding van de andere vlucht, die door de luchtvaartmaatschappij was aangeboden nadat zijn vlucht was geannuleerd, zijn eindbestemming drie of meer uur na de door deze luchtvaartmaatschappij aanvankelijk geplande aankomsttijd voor de andere vlucht heeft bereikt, recht heeft op compensatie.
5.4.
Nu dat de passagier door de vertraagd uitgevoerde vervangende vlucht TP824, welke vlucht door dezelfde luchtvaartmaatschappij is uitgevoerd als de oorspronkelijke vlucht TP1095, zijn aansluitende vlucht KL1634 heeft gemist en meer dan drie uur later op de eindbestemming in Amsterdam is aangekomen, kan de passagier aldus aanspraak maken op compensatie voor de vertraagd uitgevoerde vervangende vlucht TP824 (hierna: de vlucht).
5.5.
Vast is komen te staan dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur is gearriveerd op zijn eindbestemming te Amsterdam, zodat in beginsel een compensatieplicht geldt voor de vervoerder. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden, die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden (artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening). Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008, dient een luchtvaartmaatschappij in het voorkomende geval aan te tonen, dat zij de buitengewone omstandigheden, die tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden, zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personele middelen kennelijk niet had kunnen vermijden, behoudens als zij op het relevante tijdstip uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming onaanvaardbare offers had gebracht.
5.6.
Ten aanzien van het beroep van de vervoerder op de aanwezigheid van buitengewone omstandigheden geldt (in algemene zin) het volgende. In de punten 14 en 15 van de considerans van de Verordening heeft de gemeenschapswetgever er op gewezen dat dergelijke omstandigheden zich onder meer kunnen voordoen in geval van weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen en wanneer een besluit van het luchtverkeerbeheer voor een specifiek vliegtuig op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt.
5.7.
De vraag die voorligt is of de vervoerder met de door hem overgelegde producties en zijn toelichting daarop, voldoende heeft aangetoond dat de vertraging van de vlucht het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.
5.8.
De vervoerder voert in dit verband aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg is geweest van (doorwerking van) buitengewone omstandigheden die zich hebben voorgedaan op de voorafgaande vlucht TP943 en de vlucht zelf. Beide vluchten zijn uitgevoerd door hetzelfde toestel, te weten het toestel met registratienummer CSTNV.
5.9.
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de vervoerder het vluchtrapport van de voorafgaande vlucht overgelegd (productie 9 akte overlegging producties). De voorafgaande vlucht stond gepland te vertrekken om 11:20 uur UTC. Uit het vluchtrapport volgt dat de vlucht 44 minuten later dan gepland is vertrokken en 52 minuten later dan gepland is aangekomen om 14:42 uur UTC. Uit het vluchtrapport volgt dat de oorzaak van de vertraging is aangeduid met vertragingscode 84. Deze code staat voor ‘ATFM due to WEATHER AT DESTINATION’. De voorafgaande vlucht kreeg ATFM ‘slot’-restricties (CTOT’s) opgelegd van de luchtverkeersleiding wegens slechte weersomstandigheden te Lissabon. Wanneer een toestel een CTOT krijgt opgelegd, heeft de bemanning van het toestel niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken. Niet is gebleken dat de CTOT door toedoen van de vervoerder is opgelegd. Een luchtvaartmaatschappij is altijd verplicht een CTOT op te volgen. Het besluit van de luchtverkeersleiding is in het onderhavige geval dan ook aan te merken als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.
5.10.
Voldoende is gebleken dat deze buitengewone omstandigheid doorwerkt naar de vlucht. Immers, zowel de voorafgaande als de onderhavige vlucht zijn uitgevoerd met hetzelfde toestel met toestelnummer CSTNV. De vertraging van de voorafgaande vlucht heeft daardoor een direct effect gehad op de uitvoering van de vlucht. De vertrekvertraging van de vlucht is voor 52 minuten het gevolg geweest van de buitengewone omstandigheid die zich heeft voorgedaan tijdens de uitvoering van de voorafgaande vlucht. Uit het vluchtrapport van de vlucht (productie 3 van de toelichting op het antwoordformulier) blijkt immers dat een vertrekvertraging van 52 minuten is ontstaan wegens vertragingscode 93, welke code staat voor ‘Aircraft Rotation, late Arrival of Aircraft From Another Flight or Previous Sector’.
5.11.
Met betrekking tot de vertraging welke is ontstaan op de vlucht zelf heeft de vervoerder aangevoerd dat die vertraging het gevolg is geweest van een buitengewone omstandigheid welke in het vluchtrapport is aangeduid met vertragingscode 65. Deze code staat voor ‘FLIGHT DECK CREW SPECIAL REQUEST’. Ter zitting op 13 oktober 2021 heeft de gemachtigde van de vervoerder toegelicht dat dit te maken heeft gehad met het invullen van het logboek in verband met de vliegveiligheid. Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het midden blijven of het invullen van het logboek in het kader van de vliegveiligheid, als gevolg waarvan de vertraging is ontstaan, in het onderhavige geval kan worden gekwalificeerd als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. Immers, de vertraging als gevolg van de buitengewone omstandigheid op de voorafgaande vlucht is op zichzelf voldoende geweest voor de passagier om de aansluitende vlucht TP1634 te missen. De vlucht stond gepland om aan te komen in Milaan om 18:15 uur lokale tijd en de aansluitende vlucht TP1634 stond gepland te vertrekken om 19:25 uur lokale tijd. De vlucht is uiteindelijk om 19:23 uur lokale tijd aangekomen in Milaan met een aankomstvertraging van 68 minuten. De aankomstvertraging zou 40 minuten zijn geweest als de vertraging als gevolg van code 65, te weten 28 minuten, in mindering zou worden gebracht. De vlucht zou dan aangekomen zijn om 18:55 uur lokale tijd. Gelet op de minimale overstaptijd van 45 minuten voor de luchthaven van Milaan, zou de passagier alsdan nog steeds de aansluitende vlucht, met vertrektijd 19:25 uur lokale tijd, hebben gemist.
5.12.
De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging als gevolg van de buitengewone omstandigheid te voorkomen dan wel te beperken, zonder dat hij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van zijn onderneming had gebracht.
5.13.
De vervoerder heeft aangevoerd dat op de luchthaven van Milaan een minimale overstaptijd (MCT) van 45 minuten geldt. De passagier had oorspronkelijk een overstaptijd van 70 minuten. De vlucht was namelijk gepland om aan te komen in Milaan om 18:15 uur lokale tijd en de aansluitende vlucht (Milaan – Amsterdam) stond gepland te vertrekken om 19:25 uur lokale tijd. Een luchtvaartmaatschappij dient bij het boeken van een vlucht voldoende overstaptijd in acht te nemen om eventuele vertragingen op te kunnen vangen. Een geplande overstaptijd van 70 minuten hanteren terwijl een minimale overstaptijd van 45 minuten geldt voor Milaan, acht de kantonrechter voldoende. De vervoerder heeft de passagier omgeboekt. Daarbij heeft de vervoerder toegelicht dat hij de passagier naar het eerst mogelijke alternatief, waarop een plaats beschikbaar was, heeft omgeboekt. Volgens de passagier zou hij met minder vertraging in Amsterdam zijn aangekomen indien de vervoerder hem had omgeboekt naar een eerdere vlucht, namelijk KL1696 of VY8413. Volgens de passagier is het aannemelijk dat op die vluchten plaats was omdat de gemiddelde bezettingsgraad van vluchten op Schiphol in de winter van 2018 tussen de 75% en 80% lag.
5.14.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan een gemiddeld percentage, met betrekking tot de bezettingsgraad van een vlucht, geen uitsluitsel geven over de feitelijke situatie ten aanzien van de beschikbare plaatsen op specifiek die vluchten welke door de passagier zijn aangehaald. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de passagier zijn stelling dat op voornoemde twee vluchten plaats beschikbaar zou zijn niet voldoende onderbouwd.
5.15.
Gelet op het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging te beperken dan wel te voorkomen. Niet gebleken is dat er in de gegeven omstandigheden meer van de vervoerder kon worden verwacht.
5.16.
Als de in het ongelijk gestelde partij zal de passagier in de kosten van de procedure worden veroordeeld. Ook de nakosten zullen worden toegewezen, voor zover de vervoerder daadwerkelijk nakosten zal maken. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen veertien dagen na betekening van dit vonnis.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
wijst de vordering van de passagier af;
6.2.
veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 248,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder, en tot betaling van € 62,00 aan nakosten, voor zover daadwerkelijk nakosten door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten indien niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van die kosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
6.3.
verklaart dit vonnis, ten aanzien van de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open