Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd waartegen beroep werd ingesteld bij de officier van justitie. Deze verklaarde het beroep gegrond en kende een proceskostenvergoeding van €267 toe. Betrokkene stelde dat de officier van justitie ten onrechte een aanmaning met boeteverhoging had gestuurd en het beroep onterecht niet-ontvankelijk had verklaard.
De gemachtigde van betrokkene voerde aan dat vanwege uitvoerige correspondentie en extra werkzaamheden, waaronder een onderzoek ter plaatse, meer procespunten en een hogere wegingsfactor toegekend moesten worden. De officier van justitie erkende de fouten maar wees proceskosten voor telefoongesprekken en e-mails af omdat het Besluit proceskosten bestuursrecht dit niet voorziet.
De kantonrechter oordeelde dat bijzondere omstandigheden aanwezig waren en kende alsnog een extra procespunt toe voor de twee uitvoerige brieven. De wegingsfactor van 0,5 bleef gehandhaafd. Ook werden twee procespunten toegekend voor het beroep en de mondelinge behandeling met een wegingsfactor van 0,25. De totale proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €908, waarbij reeds betaalde bedragen in mindering worden gebracht. Het beroep werd gegrond verklaard en de beslissing van de officier van justitie vernietigd voor zover deze de proceskostenvergoeding betrof.