De passagier vorderde compensatie van de vervoerder Deutsche Lufthansa wegens annulering van vlucht LH2303 van Amsterdam naar München en aansluitend naar Ancona. De vervoerder weigerde betaling met het verweer dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden door gewijzigde slottijden opgelegd door de luchtverkeersleiding.
De rechtbank stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was en dat de vlucht inderdaad was geannuleerd. De vervoerder kon zich niet beroepen op uitzonderingen in de Verordening (EG) nr. 261/2004, omdat onvoldoende was aangetoond dat de vlucht vanwege de gewijzigde slottijden niet met vertraging kon worden uitgevoerd. Het verweer dat de passagier met minder dan twee uur tijdverlies in Bologna was aangekomen, werd verworpen omdat deze vlucht door de passagier zelf was aangevraagd.
De rechtbank oordeelde dat de vervoerder niet aannemelijk had gemaakt dat het uitvoeren van de vlucht een ernstige verstoring van de dienstregeling zou veroorzaken. Hierdoor slaagde het beroep op buitengewone omstandigheden niet en werd de vervoerder veroordeeld tot betaling van €250 plus wettelijke rente. De gevorderde incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten werden aan de vervoerder opgelegd.