ECLI:NL:RBNHO:2020:9731

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 november 2020
Publicatiedatum
20 november 2020
Zaaknummer
8153556 \ CV EXPL 19-17330
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004Verordening (EG) nr. 261/2004Arrest Wallentin-Hermann (C-549/07)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieclaim passagier wegens doorwerking buitengewone omstandigheden bij vluchtvertraging

De passagier heeft een vervoersovereenkomst met de vervoerder gesloten voor een vlucht van Amsterdam naar Beijing via München op 3 juli 2019. De vlucht van Amsterdam naar München vertoonde een vertraging van 76 minuten, waardoor de passagier de aansluitende vlucht naar Beijing miste en meer dan drie uur later op de eindbestemming arriveerde. De passagier vorderde compensatie van €600 op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.

De vervoerder verweerde zich door te stellen dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk restricties opgelegd door de luchtverkeersleiding aan de voorafgaande vlucht München-Amsterdam, waardoor de aansluitende vlucht vertraagd vertrok. De vervoerder toonde met vluchtrapporten aan dat beide vluchten met hetzelfde toestel werden uitgevoerd en dat de vertragingen voortkwamen uit luchtverkeersleidingbesluiten.

De kantonrechter oordeelde dat de vervoerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat de vertragingen het gevolg waren van buitengewone omstandigheden en dat deze omstandigheden doorwerkten van de eerste vlucht naar de tweede. Tevens was de overstaptijd in München voldoende en had de vervoerder de passagier adequaat omgeboekt naar de eerstvolgende beschikbare vlucht. De vordering van de passagier werd daarom afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot compensatie wegens vluchtvertraging wordt afgewezen wegens doorwerking van buitengewone omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8153556 \ CV EXPL 19-17330
Uitspraakdatum: 11 november 2020
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[de passagier]
wonende te [woonplaats]
eiser
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. D.E. Lof
tegen
de buitenlandse rechtspersoon
Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft
statutair gevestigd te Keulen (Duitsland) en mede kantoorhoudende te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. E.C. Douma

1.Het procesverloop

1.1.
De passagier heeft bij dagvaarding van 15 oktober 2019 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagier heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam naar Beijing (China) via München (Duitsland) op 3 juli 2019, hierna: de vlucht.
2.2.
De vlucht van Amsterdam naar München stond gepland te vertrekken om 09:00 UTC en te arriveren om 10:20 UTC. De vlucht is met een vertraging van 76 minuten uitgevoerd. De passagier heeft de aansluitende vlucht naar Beijing gemist. De passagier is meer drie uur later op de eindbestemming is aangekomen.
2.3.
De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.4.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 90,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagier heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de passagier te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 600,00.

4.Het verweer

4.1.
De vervoerder betwist de vordering en doet een beroep op (doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Zij heeft daartoe, onder meer, het volgende aangevoerd.
4.2.
Het eerste deel van de vlucht in kwestie maakt deel uit van de rotatievlucht München-Amsterdam-München. De luchtverkeersleiding heeft twee uur vóór vertrek (om 04:50 UTC) de oorspronkelijke slot van 06:50 UTC van de vlucht München-Amsterdam ingetrokken en vervangen door de slot van 07:45 UTC. Als oorzaak wordt vertragingscode 83 genoemd. Door beperkingen op de luchthaven van bestemming, in casu Amsterdam, werd een vertrek naar München niet toegelaten door de luchtverkeersleiding. De vlucht van München naar Amsterdam is uiteindelijk met een vertrekvertraging van 31 minuten om 08:58 UTC geland te Amsterdam. De vlucht van de passagier stond gepland te vertrekken om 09:00 UTC, maar kon wegens de vertraagde aankomst van de voorgaande vlucht alsmede wegens vertragingscode 39B en vertragingscode 89O pas om 10:16 UTC vertrekken. De passagier is met een vertraging van 78 minuten om 11:28 UTC in München gearriveerd en heeft de aansluitende vlucht naar Beijing, die gepland stond te vertrekken om 11:30 UTC, gemist. De vervoerder heeft de passagier omgeboekt naar de eerstvolgende beschikbare vlucht naar Beijing.
4.3.
De vervoerder betwist tevens de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
5.2.
Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen op de eindbestemming, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien zij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden op grond van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient een luchtvaartmaatschappij in het voorkomende geval aan te tonen dat zij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien zij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee zij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden.
5.3.
De vervoerder heeft in dat kader aangevoerd dat de vertraging van de vlucht is veroorzaakt door de restricties van de luchtverkeersleiding ten aanzien van de voorafgaande vlucht (München-Amsterdam) en de vlucht in kwestie (Amsterdam-München). De passagier betwist dat de vlucht in kwestie is uitgevoerd met hetzelfde toestel als de vlucht München-Amsterdam. Naar de mening van de passagier blijkt nergens uit dat de vlucht München-Amsterdam een voorafgaande vlucht is. De vervoerder heeft de vluchtrapporten van beide vluchten overgelegd en heeft voldoende toegelicht dat de vluchten met hetzelfde toestel zijn uitgevoerd. De vraag die thans voorligt is of de vervoerder met de door haar overgelegde producties en haar toelichting daarop voldoende heeft aangetoond dat de vertraagde aankomst van de passagier op de eindbestemming het gevolg is geweest van een door de luchtverkeersleiding genomen besluit. De kantonrechter overweegt als volgt.
5.4.
Uit het door de vervoerder overgelegde vluchtrapport van vlucht München-Amsterdam blijkt dat deze vlucht met een vertraging van 31 minuten is vertrokken vanuit München. De vertraging is ontstaan door de vertragingscode 83 (ATFM due to RESTRICTION AT DESTINATION AIRPORT, oftewel beperkingen op de luchthaven van bestemming). Uit de slot history van deze vlucht volgt ook dat de luchtverkeersleiding de oorspronkelijke slot heeft ingetrokken en een nieuwe heeft toegekend. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder voldoende aangetoond dat de luchtverkeersleiding als gevolg van vertragingscode 83 een nieuwe slot heeft opgelegd aan het toestel die de vlucht München-Amsterdam zou uitvoeren. Het toestel had niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken, de instructie van de luchtverkeersleiding moet immers altijd worden opgevolgd. Ook is niet gebleken dat de nieuwe slot door toedoen van de vervoerder is opgelegd. Naar het oordeel van de kantonrechter is in dit geval de opgelegde slot dan ook aan te merken als een buitengewone omstandigheid.
5.5.
De vraag die vervolgens voorligt is of de buitengewone omstandigheid die zich heeft voorgedaan tijdens de uitvoering van de vlucht München-Amsterdam doorwerkt naar de vlucht in kwestie. Uit het vluchtrapport van de vlucht in kwestie volgt dat de vlucht met een vertraging van 76 minuten is uitgevoerd. Het vluchtrapport vermeldt de vertragingscode 93 (AIRCRAFT ROTATION, late arrival of aircraft from another flight or previous sector, oftewel de vorige vlucht kwam met een vertraging binnen). Voldoende is gebleken dat deze vertraging van 38 minuten is ontstaan als gevolg van de vertraagde uitvoering van de vlucht van München-Amsterdam. Nu reeds is vastgesteld dat deze vertraging is ontstaan als gevolg van een buitengewone omstandigheid werkt deze buitengewone omstandigheid door naar de vlucht in kwestie.
5.6.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat zowel de vlucht München-Amsterdam als de vlucht Amsterdam-München vertraagd zijn uitgevoerd als gevolg van buitengewone omstandigheden. De uiteindelijke vertraging van de passagier op de eindbestemming is het directe gevolg geweest van de vertraagde uitvoering van de vlucht Amsterdam-München. De passagier heeft immers door de vertraagde uitvoering van de vlucht München-Amsterdam de aansluitende vlucht naar Beijing gemist.
5.7.
Voorts dient de vraag te worden beantwoord of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagier te voorkomen dan wel te beperken. Tussen de twee aansluitende vluchten was een overstaptijd van 70 minuten gepland. Anders dan door de passagier is gesteld, is voldoende gebleken dat de minimale overstaptijd in München 30 minuten is. Er was dus sprake van een reservetijd van 40 minuten, hetgeen door de kantonrechter als voldoende wordt beschouwd. In de gegeven omstandigheden kon er niet meer van de vervoerder worden verwacht. Daarbij heeft de vervoerder toegelicht dat zij de passagier naar de eerst mogelijke vervoersmogelijkheid met voldoende plaats heeft omgeboekt. Van de vervoerder kan niet worden gevergd dat zij voor het aanbieden van een alternatieve vlucht de passagier de mogelijkheid geeft om te kiezen uit alle vluchten bij alle luchtvaartmaatschappijen. Het aanbieden van de eerst mogelijk vlucht van de vervoerder zelf, dan wel van een dochtermaatschappij, acht de kantonrechter voldoende. In de gegeven omstandigheden kon er niet meer van de vervoerder worden verwacht.
5.8.
Gelet op het voorgaande zal de vordering van de passagier worden afgewezen. De overige verweren van de vervoerder behoeven derhalve geen bespreking.
5.9.
Als de in het ongelijk gestelde partij zullen de passagiers worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt de passagier tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 240,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter