De passagier heeft een vervoersovereenkomst met de vervoerder gesloten voor een vlucht van Amsterdam naar Beijing via München op 3 juli 2019. De vlucht van Amsterdam naar München vertoonde een vertraging van 76 minuten, waardoor de passagier de aansluitende vlucht naar Beijing miste en meer dan drie uur later op de eindbestemming arriveerde. De passagier vorderde compensatie van €600 op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.
De vervoerder verweerde zich door te stellen dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk restricties opgelegd door de luchtverkeersleiding aan de voorafgaande vlucht München-Amsterdam, waardoor de aansluitende vlucht vertraagd vertrok. De vervoerder toonde met vluchtrapporten aan dat beide vluchten met hetzelfde toestel werden uitgevoerd en dat de vertragingen voortkwamen uit luchtverkeersleidingbesluiten.
De kantonrechter oordeelde dat de vervoerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat de vertragingen het gevolg waren van buitengewone omstandigheden en dat deze omstandigheden doorwerkten van de eerste vlucht naar de tweede. Tevens was de overstaptijd in München voldoende en had de vervoerder de passagier adequaat omgeboekt naar de eerstvolgende beschikbare vlucht. De vordering van de passagier werd daarom afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.