ECLI:NL:RBNHO:2020:9338

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 juni 2020
Publicatiedatum
11 november 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2486
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV over WIA met opdracht tot nieuw besluit na onvoldoende onderzoek

De rechtbank Noord-Holland behandelde het beroep van eiseres tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) betreffende de WIA-uitkering. In een eerdere tussenuitspraak had de rechtbank vastgesteld dat het UWV onvoldoende onderzoek had verricht, met name door het niet opvragen van medische informatie bij specialisten zoals de neuroloog en KNO-arts.

Het UWV kreeg de gelegenheid om het gebrek in het besluit te herstellen, maar maakte hier geen gebruik van. De rechtbank oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom een verbetering van de belastbaarheid in het eerste jaar na 12 september 2018 verwacht kon worden, ondanks informatie van de huisarts en het bezwaar van eiseres.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep gegrond en vernietigde het bestreden besluit. De rechtbank zag geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en gaf het UWV de opdracht binnen zes weken na het verkrijgen van gezag van gewijsde een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van de tussenuitspraak en deze uitspraak.

Daarnaast werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres, vastgesteld op €1.050,-. De uitspraak werd gedaan door rechter M.H. Affourtit-Kramer en griffier M.H. Boomsma op 10 juni 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt vernietigd met opdracht tot een nieuw besluit binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 19/2486

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: J.A.M. Houberg),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: A.P. Prinsen).

Procesverloop

Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak verwijst de rechtbank naar haar tussenuitspraak van 30 maart 2020.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat hierin is overwogen, het geconstateerde gebrek in het betreden besluit te herstellen.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak schriftelijk verklaard geen gebruik te maken van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar aanleiding van hetgeen is aangevoerd in het bezwaarschrift. Het lag op de weg van verweerder om ook medische informatie op te vragen bij de neuroloog en de KNO-arts te vragen naar de situatie voorafgaand aan het mogelijk recidief en de mogelijke verbetering van de belastbaarheid na het doormaken van mond/tongkankerkanker. Voorts is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd waarom, ondanks de informatie van de huisarts en alles wat is aangevoerd in bezwaar, in het eerste jaar na 12 september 2018 een verbetering van de belastbaarheid kon worden verwacht.
2. Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
3. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat de rechtmatige uitkomst naar de huidige stand van zaken nog te veel open ligt. De reden daarvoor is nu juist dat verweerder geen poging heeft ondernomen het gebrek te herstellen. Verweerder moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken nadat deze uitspraak gezag van gewijsde heeft gekregen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.H. Boomsma, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 10 juni 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.