Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2020 in de zaak tussen
[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Uitgekeerd 65% is EUR 942.500 aan [D] BV, [Z] [#] ) en 35% aan [E] (zie separaat notificatie formulier).”
Vrijgestelde uitkeringen aan buitenlandse gerechtigden in deelnemingssituatiesaan verweerder gestuurd, welke verweerder op 30 mei 2018 heeft ontvangen. In de opgaaf meldt eiseres een totaalbedrag vrijgestelde dividenduitkering van € 1.450.000. Eiseres heeft aangegeven dat artikel 4, lid 9 en lid 10, van de Wet op de dividendbelasting 1965 niet van toepassing is. De uitkeringsgerechtigde is [E] . De uitkeringsgerechtigde bezit 35% van de stemrechten in eiseres. De opgaaf is op 25 mei 2018 ondertekend door de directeur van eiseres: [F] ( [F] .) B.V.
zelfdegene is geweest die de aangifte dividendbelasting heeft gedaan en niet haar gemachtigde zoals eiseres heeft betoogd. Het beroep van eiseres op avas faalt reeds daarom. Dat de gemachtigde van eiseres vervolgens, ruim buiten de aangiftetermijn, op 24 augustus 2018, wederom een onjuiste aangifte dividendbelasting heeft gedaan, maakt dat niet anders. De rechtbank acht de boete passend en geboden. Dit betekent dat de boetebeschikking in stand blijft.