ECLI:NL:RBNHO:2020:8382
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beëindiging Ziektewetuitkering wegens vermeende arbeidsongeschiktheid
Eiser, werkzaam in twee functies, ontving een Ziektewetuitkering wegens gezondheidsklachten. Verweerder beëindigde deze uitkering na een medische beoordeling door verzekeringsartsen die oordeelden dat eiser in staat was zijn werk te verrichten. Eiser betwistte dit en stelde dat zijn klachten geobjectiveerd waren en dat de fysieke belasting van zijn functies te zwaar was.
De rechtbank stelde vast dat de verzekeringsartsen zorgvuldig en op basis van dossierstudie, medisch onderzoek en functieomschrijvingen tot hun oordeel waren gekomen. Er was geen objectief medisch bewijs voor beperkingen die rechtvaardigen dat eiser zijn eigen werk niet kan verrichten. De klachten van eiser werden erkend, maar onvoldoende geobjectiveerd en niet in een consistent patroon van beperkingen gebracht.
De rechtbank volgde de verzekeringsartsen in hun oordeel dat de fysieke belasting van beide functies, ook gecombineerd, niet te zwaar was voor eiser en dat het gemiddeld aantal arbeidsuren van 37 uur per week correct was vastgesteld. De rechtbank zag geen reden een onafhankelijke deskundige te benoemen en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de beëindiging van de Ziektewetuitkering blijft gehandhaafd.