ECLI:NL:RBNHO:2020:7746
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waarde woning voor WOZ-heffing op basis van vergelijkingsmethode
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het kalenderjaar 2019, stellende dat de grondwaarde te hoog is vastgesteld en dat onvoldoende rekening is gehouden met een weg aan de voorzijde van de woning.
Verweerder heeft de waarde vastgesteld op €1.041.000 en onderbouwd met een waardematrix waarin vergelijkingsobjecten zijn opgenomen. De rechtbank beoordeelt dat de gehanteerde vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn en dat verschillen adequaat zijn meegenomen in de waardering.
De rechtbank constateert dat de woning een betere ligging heeft dan de vergelijkingsobjecten, met vrij uitzicht op een vijver en een monumentaal gebouw, en dat de door eiser aangevoerde overlast door een weg niet aannemelijk is gemaakt. De foto ter zitting is onvoldoende bewijs hiervoor.
Op grond van artikel 17, tweede lid, Wet WOZ, rust op verweerder de bewijslast dat de waarde niet te hoog is vastgesteld, hetgeen volgens de rechtbank is voldaan. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak is gedaan door rechter T.N. van Rijn op 6 oktober 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen, met mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €1.041.000 wordt ongegrond verklaard.