ECLI:NL:RBNHO:2020:7405

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 september 2020
Publicatiedatum
23 september 2020
Zaaknummer
C/15/302124 / FA RK 20-2093
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:246 BWArt. 1:253q BWArt. 1:295 BWArt. 1:299 BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tijdelijke voogd en benoeming GI als voogd wegens onbevoegdheid moeder

De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om een tijdelijke voogd aan te stellen voor een minderjarig kind, waarbij de moeder minderjarig is en afstand wil doen van het kind. De moeder is op grond van artikel 1:246 BW Pro onbevoegd het gezag uit te oefenen en heeft dit ook nooit gedaan. De rechtbank oordeelt dat de grondslag voor een tijdelijke voogd op basis van artikel 1:253q lid 3 BW niet van toepassing is omdat deze alleen ziet op ouders die het gezag uitoefenen en tijdelijk onbevoegd worden, wat hier niet het geval is.

De rechtbank interpreteert het verzoek als een aanvraag op grond van artikel 1:295 BW Pro, dat voorziet in de benoeming van een voogd wanneer geen ouder het gezag uitoefent. Omdat de vader onbekend is en de moeder afstand wil doen, is er geen gezagsdrager. De gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers wordt daarom benoemd tot voogd om de belangen van het kind te behartigen en de ontwikkeling in het aspirant-adoptiegezin te volgen.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de griffier wordt opgedragen de gewijzigde gezagssituatie in het Centraal Gezagsregister te registreren. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden door belanghebbenden.

Uitkomst: Verzoek tijdelijke voogd afgewezen; gecertificeerde instelling benoemd als voogd over minderjarige.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
Zittingsplaats: Alkmaar
Zaakgegevens : C/15/302124 / FA RK 20-2093
datum uitspraak: 8 september 2020
beschikking voogdij
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad,
gevestigd te Haarlem,
betreffende
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [plaats] , hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder], hierna te noemen de moeder,
domicilie te Stichting FIOM, ’ [plaats] ,
de gecertificieerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers, hierna te noemen de GI,
gevestigd te Alkmaar.

1.Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van de kinderrechter van 3 februari 2020;
- het pro-forma verzoek met bijlagen van de Raad van 15 april 2020, ingekomen bij de griffie op 17 april 2020;
- de brief houdende een gewijzigd verzoek inclusief aanvullende bijlagen van de Raad van 2 juli 2020, ingekomen bij de griffie op 6 juli 2020;
- de brief van stichting Fiom van 18 augustus 2020, ingekomen bij de griffie op 19 augustus 2020.
1.2.
Op 26 augustus 2020 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Gehoord zijn:
- [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad,
- [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.
1.3.
Opgeroepen en niet verschenen is:
- de moeder.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 3 februari 2020 is de GI met de voorlopige voogdij over [de minderjarige] belast, in afwachting van een nadere beslissing omtrent de uitoefening van het gezag over [de minderjarige] .

3.Het verzoek

3.1.
De Raad heeft in eerste instantie verzocht om de GI (tijdelijk) tot voogd te benoemen over [de minderjarige] op grond van artikel 1:295 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), maar heeft later het verzoek gewijzigd en gegrond op 1:253q BW. De moeder is minderjarig en is op grond van artikel 1:246 BW Pro onbevoegd tot het uitoefenen van het gezag over [de minderjarige] . Het is de Raad niet bekend wie de vader van [de minderjarige] is. Volgens de Raad is het in het belang van [de minderjarige] dat de GI, die nu al is belast met de voorlopige voogdij, ook de komende tijd met de voogdij belast blijft. De moeder heeft namelijk aangegeven afstand te doen van [de minderjarige] en [de minderjarige] woont inmiddels bij haar aspirant-adoptieouders. Het is belangrijk dat de GI de komende periode de belangen van [de minderjarige] blijft behartigen en waarborgt, waarbij de ingroei in het aspirant-adoptiegezin kan worden gevolgd en er zicht blijft op haar ontwikkeling. De Raad verwacht dat de aspirant-adoptieouders op termijn met de voogdij belast zullen worden en dat zij [de minderjarige] later ook zullen adopteren.

4.De standpunten van de belanghebbenden

4.1.
Namens de moeder heeft stichting Fiom bij brief van 18 augustus 2020 laten weten dat de moeder achter haar beslissing blijft staan om [de minderjarige] af te staan ter adoptie.
4.2.
De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij over [de minderjarige] uit te oefenen.

5.De beoordeling

5.1.
De Raad heeft de kinderrechter verzocht een voogd voor [de minderjarige] te benoemen op grond van artikel 1:253q, derde lid, BW. Dit artikellid bevat een regeling voor het benoemen van een (tijdelijke) voogd voor de situatie dat een ouder die het gezag uitoefent daartoe onbevoegd is. Uit het vijfde lid van dit artikel volgt dat als de grond van de onbevoegdheid is weggevallen, de rechtbank die ouder wederom met het gezag kan belasten. De rechtbank leidt uit de redactie van het derde lid, in samenhang met het vijfde lid, af dat sprake dient te zijn van een ouder die het gezag uitoefent en daartoe vervolgens onbevoegd wordt. De rechtbank gaat aldus ervan uit dat de verwijzing in 1:253q, derde lid, BW, naar de onbevoegheidsgronden van artikel 1:246 BW Pro alleen betrekking heeft op de daarin genoemde ondercuratelestelling en storing van de geestvermogens en niet op minderjarigheid. In dit geval heeft de moeder van [de minderjarige] het gezag over [de minderjarige] echter nooit uitgeoefend, omdat zij daartoe op grond van haar minderjarigheid van de aanvang af onbevoegd is geweest. Een tweede argument waarom de figuur van de tijdelijke voogd niet passend is, is dat het helemaal niet de bedoeling is dat de moeder bij haar meerderjarigheid alsnog met het gezag over [de minderjarige] kan of zal worden belast. De moeder heeft [de minderjarige] juist afgestaan ter adoptie en zal dus geen gezag over haar gaan uitoefenen. Het verzoek is dus ten onrechte gegrond op artikel 1:253q, derde lid, BW.
5.2.
De rechtbank zal het verzoek van de Raad opvatten als een verzoek tot de benoeming van een voogd op grond van artikel 1:295 BW Pro, nu uit de inhoud van het verzoekschrift blijkt dat dit is beoogd en de Raad dit artikel ook als de oorspronkelijke juridische grondslag heeft aangeduid bij het oorspronkelijke verzoek van 15 april 2020.
5.3.
Op grond van artikel 1:295 BW Pro (in samenhang gelezen met artikel 1:299 BW Pro) kan de rechtbank op verzoek van (onder meer) de Raad een voogd benoemen over alle minderjarigen die niet onder ouderlijk gezag staan en in wier voogdij niet op wettige wijze is voorzien. Zoals eerder vastgesteld is de moeder op grond van artikel 1:246 BW Pro onbevoegd tot het uitoefenen van het gezag over [de minderjarige] vanwege haar minderjarigheid. De moeder heeft verder besloten afstand te willen doen van [de minderjarige] en heeft hiermee aangegeven dat zij, ook in de toekomst, niet met het gezag over [de minderjarige] wil worden belast. De vader van [de minderjarige] is daarnaast onbekend, waardoor ook hij niet met het gezag kan worden belast. Dit betekent dat er geen ouder is die het gezag over [de minderjarige] uitoefent en daarom zal in de voogdij over [de minderjarige] moeten worden voorzien. De rechtbank acht het in het belang van [de minderjarige] dat de GI de komende tijd als voogd benoemd blijft. Op deze manier kan de hechting en ontwikkeling van [de minderjarige] in het adoptiegezin gevolgd worden totdat de aspirant-adoptieouders met de voogdij kunnen worden belast of zij [de minderjarige] daadwerkelijk adopteren. De GI heeft zich bereid verklaard de voogdij over [de minderjarige] op zich te nemen.
5.4.
De rechtbank zal in verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder sub a, van het Besluit gezagsregisters tevens bepalen dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het centrale gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
belast met ingang van heden
de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers,te Alkmaar, met de voogdij over de minderjarige:
-
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
6.2.
bepaalt dat aan de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers alle bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen van voornoemd kind die in het belang van het kind noodzakelijk zijn, worden toegekend;
6.3.
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het Centraal Gezagsregister om daarin aantekening te doen van de gewijzigde situatie;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. Drenth, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Commandeur als griffier en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2020.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam