ECLI:NL:RBNHO:2020:7305

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 september 2020
Publicatiedatum
17 september 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 2665
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet-betaling van griffierecht in belastingzaak

Eiser heeft digitaal beroep ingesteld tegen een beslissing van de Belastingdienst. Volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet griffierecht worden betaald om het beroep ontvankelijk te laten zijn. De griffier heeft eiser tweemaal schriftelijk in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen vier weken te betalen, maar eiser heeft niet gereageerd en ook niet betaald.

Er is geen verontschuldiging voor het niet betalen van het griffierecht gegeven. Op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb leidt dit tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. De rechtbank heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M.C. van As zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze beslissing.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht zonder verontschuldiging.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/2665
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2020 in de zaak tussen
[X], te [Z] , eiser,
en
de ontvanger van de Belastingdienst, kantoor Heerlen,verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft op 21 maart 2020 digitaal beroep ingesteld tegen een beslissing van verweerder met kenmerk [#]
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
2. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht op grond van artikel 8:41, tweede lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de bij de Awb behorende Regeling verlaagd griffierecht € 48. Op grond van artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb moet het griffierecht binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier dat het verschuldigd is, zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, is het beroep op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
3. De griffier heeft bij brief van 15 mei 2020 eiser in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Eiser heeft niet gereageerd. Vervolgens heeft de griffier bij aangetekend verzonden brief van 13 juni 2020 eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Onderzoek in het Track & Trace-systeem van PostNL heeft uitgewezen dat deze brief op 16 juni 2020 is bezorgd.
4. Eiser heeft het griffierecht niet op tijd betaald. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus niet gebleken van een verontschuldiging voor dit verzuim.
5. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van N. Joacim, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 25 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.