ECLI:NL:RBNHO:2020:7301
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning
Eiser betwistte de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het kalenderjaar 2019, vastgesteld op €301.000. Hij voerde aan dat onvoldoende rekening was gehouden met verschillen tussen zijn woning en referentiewoningen, alsmede met de gedateerdheid van de woning. Tijdens de zitting bleek dat de waarde niet langer in geschil was, enkel de vergoeding van proceskosten.
Eiser stelde dat onduidelijkheid over de inhoud van de woning in het taxatieverslag hem heeft doen besluiten bezwaar en beroep in te stellen. Verweerder voerde aan dat de waarde correct was vastgesteld en dat de onduidelijkheid pas tijdens de zitting werd aangevoerd.
De rechtbank oordeelde dat de inhoud en oppervlakte van de woning geen onderdeel waren van de eerdere grieven in bezwaar en beroep en dat de vermeende onduidelijkheid niet als reden voor het instellen van bezwaar en beroep kon worden aangemerkt. Daarom zag de rechtbank geen aanleiding voor proceskostenvergoeding en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot proceskostenvergoeding afgewezen.