ECLI:NL:RBNHO:2020:7241

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
23 september 2020
Publicatiedatum
16 september 2020
Zaaknummer
8580764 CV EXPL 20-2705
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:129e BWArt. 96 lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugbetaling lening binnen affectieve relatie met rente en kosten

Eiseres en gedaagde hadden een affectieve relatie waarbij eiseres een lening van €40.000 aan gedaagde verstrekte voor aandelen. Hoewel de lening uiteindelijk is terugbetaald, ontstond geschil over de betaling van rente en buitengerechtelijke kosten wegens te late terugbetaling.

Eiseres vorderde betaling van deze kosten en rente omdat gedaagde niet binnen de redelijke termijn had voldaan, ondanks sommatiebrieven en aanmaningen. Gedaagde betwistte de vordering en stelde dat hij binnen een redelijke termijn had betaald en geen kosten verschuldigd was.

De kantonrechter oordeelde dat partijen geen duidelijke terugbetalingstermijn hadden afgesproken, maar dat op grond van artikel 7:129e BW de lening opeisbaar werd zes weken na mededeling van eiseres. Gedaagde was in verzuim geraakt door niet tijdig te betalen. De buitengerechtelijke kosten en rente zijn daarom verschuldigd.

De kantonrechter veroordeelde gedaagde tot betaling van €1.346,75 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 18 april 2020, en tot betaling van proceskosten. De vordering voor overige kosten werd afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde is veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke kosten en rente wegens te late terugbetaling van lening.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknr./rolnr.: 8580764 CV EXPL 20-2705
Uitspraakdatum: 23 september 2020
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiseres]
wonende te [woonplaats 1]
eiseres
verder te noemen: [eiseres]
gemachtigde: mr. V. Ahuis
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats 2]
gedaagde
verder te noemen: [gedaagde]
verschenen in persoon

1.Het procesverloop

1.1.
[eiseres] heeft bij dagvaarding van 4 juni 2020 een vordering tegen [gedaagde] ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord. [eiseres] heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna [gedaagde] een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad.
2.2.
[eiseres] heeft aan [gedaagde] geld geleend. In een door beide partijen ondertekende schriftelijke verklaring van 11 juli 2018 is vermeld: “Ik [eiseres] , heb de hr [gedaagde] wonende (..), een bedrag geleend van 40,000,00 euro voor aanvulling op zijn pakket aandelen.”
2.3.
Op 14 januari 2020 heeft [eiseres] terugbetaling van de lening gevraagd van [gedaagde] in het eerste kwartaal van 2020. Op 25 maart heeft [eiseres] aan [gedaagde] geschreven dat zij uiterlijk 31 maart 2020 de betaling wenst te ontvangen.
2.4.
Bij brief van 1 april 2020 heeft de advocaat van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd tot betaling van EUR 40.000,- binnen 14 dagen na ontvangst van deze brief, bij gebreke waarvan [gedaagde] de buitengerechtelijke kosten ad EUR 1.421,75 zou zijn verschuldigd. Verder heeft [eiseres] aanspraak gemaakt op betaling van rente over dit bedrag.
2.5.
Op 3 april 2020 heeft [eiseres] een betaling van [gedaagde] ontvangen van EUR 75,-.
2.6.
Op 23 april 2020 heeft [eiseres] EUR 40.000,- betaald gekregen van [gedaagde] .

3.De vordering

3.1.
[eiseres] vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling van EUR 1.396,11 vermeerderd met rente en kosten. Daarbij heeft [eiseres] rekening gehouden met het door [gedaagde] betaalde bedrag van EUR 75,-.
3.2.
[eiseres] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] ondanks aanmaning door haar advocaat ingevolge artikel 96 lid 6 BW Pro de geldlening niet tijdig heeft terugbetaald.

4.Het verweer

4.1.
[gedaagde] betwist de vordering. Hij voert aan – samengevat – dat hij binnen een redelijke termijn de hoofdsom heeft terugbetaald en aan zijn verplichtingen heeft voldaan en geen buitengerechtelijke kosten is verschuldigd.

5.De beoordeling

5.1.
Tussen partijen staat vast dat [eiseres] EUR 40.000,- aan [gedaagde] heeft geleend. [gedaagde] heeft die inmiddels ook terugbetaald. Onderwerp van geschil in deze procedure is alleen of [gedaagde] daarnaast nog de buitengerechtelijke kosten moet betalen, omdat hij het geleende bedrag te laat heeft terugbetaald. Verder moet worden beslist of hij de rente over dat bedrag moet betalen.
5.2.
Om de vordering te kunnen beslissen, is van belang dat duidelijk wordt op welk moment [gedaagde] de lening moest terugbetalen. Partijen hebben hierover bij het aangaan van de lening geen duidelijke afspraak gemaakt. De onder 2.2 genoemde verklaring van partijen zegt hier niets over. In een door [eiseres] genoemde e-mail van [gedaagde] van 25 juli 2018 staat weliswaar vermeld: “de terugbetaling komt in het eerste kwartaal 2020”, maar dat is geen duidelijke betalingstermijn.
5.3.
De wet (artikel 7:129e BW) zegt dat de lener het door hem op grond van de overeenkomst verschuldigde moet teruggeven binnen zes weken nadat de uitlener heeft meegedeeld tot opeising over te gaan. [eiseres] heeft op 14 januari 2020 aan [gedaagde] geschreven dat hij de lening moet terugbetalen. De lening was dus zes weken later opeisbaar. [gedaagde] heeft toen de lening nog niet terugbetaald. [eiseres] heeft hem daarna op 25 maart 2020 opnieuw gevraagd om te betalen en hem toen een uiterste termijn gegeven tot 31 maart 2020 om alsnog te betalen. Die termijn was redelijk, want [gedaagde] had eerder al zelf geschreven dat hij het eerste kwartaal van 2020 zou betalen en begreep na het bericht van [eiseres] van 14 januari 2020 dat hij dat ook echt moest doen. Door toch niet te betalen is [gedaagde] in verzuim geraakt.
5.4.
De advocaat van [eiseres] heeft [gedaagde] daarna op 1 april 2020 opnieuw geschreven dat hij de lening moest terugbetalen en hem daarvoor nog eens 14 dagen de tijd gegeven (vanaf de ontvangst van de sommatiebrief). Als hij dat niet zou doen, zou hij de buitenrechtelijke kosten (EUR 1.175,- en EUR 246,75 btw) verschuldigd zijn. Deze brief voldoet aan de wettelijke regels. [gedaagde] heeft niet op tijd betaald. Daarom moet hij nu de buitenrechtelijke kosten aan [eiseres] betalen. Dat is EUR 1.346,75, want [gedaagde] heeft al EUR 75,- betaald. Over dit bedrag is [gedaagde] ook de wettelijke rente verschuldigd vanaf 18 april 2020 (de datum van het verstrijken van de 14-dagentermijn uit de sommatiebrief van de advocaat van [eiseres] ).
5.5.
De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van [eiseres] zal toewijzen zoals hierna is vermeld. De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 1.346,75, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 18 april 2020 tot aan de dag van de gehele betaling;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van [eiseres] tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 105,09
griffierecht € 236,00
salaris gemachtigde € 360,00 ;
vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten ingaande de 15e dag na de datum van betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door M. Flipse en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter