ECLI:NL:RBNHO:2020:7016
Rechtbank Noord-Holland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontruimingsvordering wegens onduidelijkheid beëindiging huurovereenkomst
In deze kortgedingprocedure vordert eiser ontruiming van een woonruimte omdat volgens hem de huurovereenkomst uiterlijk 31 januari 2020 zou zijn geëindigd. Gedaagde woont echter nog in het gehuurde en betwist dat hij onvoorwaardelijk heeft ingestemd met beëindiging van de huurovereenkomst.
De kantonrechter stelt vast dat partijen eind 2018 spraken over beëindiging per 1 februari 2020, waarbij eiser zou helpen bij het vinden van vervangende woonruimte. Er bestaat onenigheid of de beëindiging onvoorwaardelijk was, ook als gedaagde geen nieuwe woonruimte zou vinden. Getuigenverklaringen en WhatsApp-berichten zijn tegenstrijdig en bieden geen eenduidige interpretatie.
Gezien deze onzekerheid oordeelt de kantonrechter dat niet vaststaat dat gedaagde ondubbelzinnig heeft ingestemd met beëindiging per eind januari 2020. De vordering tot ontruiming wordt daarom afgewezen. Eiser wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is gewezen door kantonrechter Röell en in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen omdat niet vaststaat dat de huurovereenkomst onvoorwaardelijk is beëindigd.