ECLI:NL:RBNHO:2020:6831
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardering onroerende zaak en bezwaar tegen WOZ-waarde 2019
De zaak betreft een geschil over de vastgestelde WOZ-waarde van een hoekwoning uit 1956, met een inhoud van 214 m³ en een perceel van 217 m², inclusief aanbouw en tuinhuis. Verweerder stelde de waarde voor het kalenderjaar 2019 vast op € 238.000, waartegen eiser beroep instelde met een eigen taxatierapport dat een lagere waarde van € 223.000 bepleitte vanwege onder meer schimmelvorming en lekkages.
De rechtbank overwoog dat verweerder de waarde heeft bepaald op basis van verkoopprijzen van goed vergelijkbare woningen in dezelfde buurt, waarbij de inhoud van de woningen volgens de norm NEN2580 correct is vastgesteld. De rechtbank achtte aannemelijk dat de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten voldoende zijn meegenomen, en dat de staat van onderhoud gemiddeld is, mede omdat de vochtige plekken en lekkages als bergruimten worden gebruikt.
De rechtbank concludeerde dat verweerder zijn bewijslast heeft voldaan en dat de vastgestelde waarde niet te hoog is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard.