De rechtbank Noord-Holland behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van het invoeren van circa 110 kilogram cocaïne in Nederland via het motorschip [schip]. De primaire tenlastelegging betrof medeplegen van invoer van cocaïne, waarvoor verdachte werd vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
De rechtbank stelde vast dat verdachte samen met medeverdachten handelingen verrichtte gericht op het voorbereiden en bevorderen van de verdere verspreiding van de cocaïne. Dit betrof het verschaffen van inlichtingen over de ligplaats en beveiliging van het schip, het monitoren van het schip via een website en GPS, en het onderhouden van contact om instructies te ontvangen. Verdachte reisde met anderen vanuit Spanje naar Nederland, verbleef in een hotel en gebruikte een huurauto om zich naar de havens te begeven.
De rechtbank oordeelde dat deze gedragingen medeplegen van bevorderingshandelingen opleveren, strafbaar gesteld in artikel 10a van de Opiumwet. De ernst van het feit en de maatschappelijke gevolgen van cocaïnehandel werden zwaar meegewogen. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren, met aftrek van voorarrest. De rechtbank vond de straf passend gezien de omstandigheden en het ontbreken van eerdere veroordelingen van verdachte.
De uitspraak werd gewezen door een meervoudige strafkamer op 13 juli 2020. De rechtbank sprak verdachte vrij van de primaire tenlastelegging maar veroordeelde hem voor het subsidiaire feit van medeplegen van bevorderingshandelingen gericht op de verdere verspreiding van de cocaïne.