Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.De vordering
4.De beoordeling
5.De beslissing
18 september 2019 met zaaknummer 7954559 \ CV EXPL 19-11311;
Rechtbank Noord-Holland
De passagier vorderde compensatie van Icelandair wegens een vertraging van meer dan drie uur op een vlucht van Amsterdam naar Reykjavik. Icelandair werd aanvankelijk bij verstek veroordeeld tot betaling van €400 aan de passagier. Icelandair kwam in verzet en stelde dat de passagier een no-show was op de vlucht van 3 april 2019 en dat hij met een ticket voor 4 april 2019 had gereisd, waardoor geen sprake was van vertraging op de vlucht van 3 april.
De passagier stelde dat hem de toegang tot de vlucht van 3 april was geweigerd, wat zou leiden tot compensatie op grond van artikel 4, lid 3 van de Verordening. De rechtbank overwoog dat de stelplicht en bewijslast voor instapweigering bij de passagier ligt. Deze heeft nagelaten zijn stelling met voldoende feiten en stukken te onderbouwen.
Icelandair toonde aan dat de vlucht niet overboekt was en dat er voldoende stoelen beschikbaar waren. De rechtbank concludeerde dat niet is komen vast te staan dat sprake was van instapweigering. Het verzet van Icelandair werd daarom gegrond verklaard, het verstekvonnis vernietigd en de vordering van de passagier afgewezen.
De passagier werd veroordeeld in de proceskosten van de verzetprocedure, met uitzondering van de kosten van de verzetdagvaarding die Icelandair zelf draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de vordering van de passagier wordt afgewezen wegens ontbreken van bewijs voor instapweigering.