ECLI:NL:RBNHO:2020:5995

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 augustus 2020
Publicatiedatum
6 augustus 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3306
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbParticipatiewet
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening Participatiewet wegens inkomen en voorschot

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort om haar aanvraag voor een uitkering op grond van de Participatiewet af te wijzen vanwege overschrijding van de vermogensgrens. Tevens werd een eerder uitbetaald voorschot van €950,- teruggevorderd.

Tijdens de zitting bleek dat verzoekster sinds eind april 2020 tot en met juni 2020 inkomen uit arbeid ontving, met een salaris van €973,76 in mei en ongeveer €500,- in juni. Haar arbeidsovereenkomst werd beëindigd, maar zij heeft recent weer werk gevonden voor 20 uur per week met een verwacht salaris van circa €900,-. Tevens is begin juli een voorschot van €500,- en een woonkostentoeslag van €440,- toegekend.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster met het ontvangen inkomen en het voorschot in staat moet zijn haar kosten van levensonderhoud te betalen. Een voorlopige voorziening kan slechts worden toegekend vanaf de datum van ontvangst van het verzoek (1 juli 2020) en alleen tot de hoogte van de geldende bijstandsnorm. Omdat verzoekster vanaf die datum inkomen geniet dat gelijk is aan die norm, ziet de voorzieningenrechter geen reden voor toewijzing.

Daarnaast wordt benadrukt dat een voorlopige voorziening niet bedoeld is om schulden af te lossen. Verzoekster kan voor schuldhulpverlening terecht bij verweerder. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoekster voldoende inkomen en voorschotten ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/3306
uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 augustus 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. M. Raaijmakers),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort, verweerder
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).

Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet (PW) afgewezen omdat verzoekster de vermogensgrens overschrijdt. Daarnaast is de uitbetaalde voorschot van € 950,- teruggevorderd.
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft op 23 juli 2020 via Skype plaatsgevonden.
Gemachtigde van verzoekster is verschenen. Verzoekster heeft via de telefoon van gemachtigde deelgenomen aan de zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. [naam 2] , klantmanager van verzoekster, heeft deelgenomen via de telefoon van [naam 1] .

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat
vereist. Volgens vaste rechtspraak vormt een louter financieel belang op zichzelf geen
reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het treffen van een voorlopige voorziening
zal wel in beeld kunnen komen indien het financiële belang zodanig zwaarwegend is, dat
onomkeerbare gevolgen dreigen.
2. Aan het verzoek om voorlopige voorziening is ten grondslag gelegd dat verzoekster niet meer kan voldoen aan haar betalingsverplichtingen. Haar huur bedraagt € 950,- en zij heeft al drie maanden geen huur betaald. Ook heeft verzoekster ter zitting naar een brief van 16 juni 2020 verwezen waaruit blijkt dat haar energievoorziening 29 juli 2020 wordt afgesloten.
3. De voorzieningenrechter kan slechts een voorlopige voorziening treffen in die zin dat verzoekster een voorschot wordt toegekend naar de hoogte van de voor haar geldende bijstandsnorm. Bovendien kan de voorzieningenrechter – anders dan door de gemachtigde van verzoekster is betoogd – slechts een voorziening toekennen met ingang van de dag van ontvangst van haar verzoekschrift, te weten per 1 juli 2020.
4. Verzoekster heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat zij vanaf eind april 2020 tot en met eind juni inkomen ontving uit werk bij de [#]. Uit haar salarisstrook van mei 2020 blijkt dat zij € 973,76 verdiende en verzoekster heeft verklaard dat zij in juni ongeveer € 500,- heeft ontvangen. Vervolgens is de arbeidsovereenkomst beëindigd. Sinds twee weken heeft verzoekster weer werk gedurende 20 uur per week waaruit zij inkomen ontvangt. Zij verwacht dat haar salaris van rond € 900,- vandaag uitbetaald zal worden.
Verder heeft verzoekster bevestigd dat zij een nieuwe aanvraag heeft ingediend en in verband hiermee is haar begin juli een voorschot toegekend van € 500,- en daarnaast woonkostentoeslag van € 440,-. Verzoekster stelt dat zij ondanks de hiervoor genoemde bedragen niet aan haar betalingsverplichtingen kan voldoen.
5. Uit het voorgaande volgt dat verzoekster gedurende de periode mei tot en met heden inkomsten heeft ontvangen vanuit arbeid of middels een voorschot en dat verzoekster ook nu maandelijks inkomen geniet ter hoogte van de voor haar geldende bijstandsnorm. Verzoekster zou hiermee in staat moeten zijn om te voorzien in haar kosten van levensonderhoud. Bovendien zou de voorzieningenrechter – zoals reeds hiervoor overwogen – hoogstens een voorlopige voorziening kunnen treffen in die zin dat aan verzoekster een voorschot wordt toegekend naar de hoogte van de voor haar geldende norm met ingang van de dag dat het verzoek om voorlopige voorziening is ontvangen. Nu verzoekster vanaf 1 juli 2020 zelf inkomen geniet ter hoogte van die bijstandsnorm ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om een dergelijke voorziening toe te kennen.
Hierbij overweegt de voorzieningenrechter nog dat het treffen van een voorlopige voorziening niet tot doel kan hebben om de schulden af te betalen. Ter zitting is gebleken dat verzoekster zich voor hulp bij de schuldenproblematiek kan wenden tot verweerder.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Affourtit-Kramer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier.
Deze uitspraak is gedaan op 6 augustus 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.