ECLI:NL:RBNHO:2020:5762

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 juli 2020
Publicatiedatum
29 juli 2020
Zaaknummer
C/15/303683
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:194 lid 2 BWArt. 1:164 BWArt. 843a Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot overlegging bankafschriften in echtscheidingsprocedure

In deze civiele zaak vordert eiseres dat gedaagde op straffe van dwangsom bankafschriften van twee bankrekeningen en stukken van een beleggingsrekening overlegt over de periode van 31 december 2018 tot en met 16 mei 2019. Partijen zijn in 2003 gehuwd en hebben in april 2019 een echtscheidingsconvenant getekend, waarbij de rechtbank in juni 2019 de echtscheiding uitsprak en het convenant als beschikking vaststelde.

Eiseres stelt dat gedaagde bij het opstellen van het convenant niet volledig openheid van zaken heeft gegeven over de vermogensrechtelijke situatie en mogelijk vermogensbestanddelen heeft verzwegen of schulden heeft gemaakt, waardoor de gemeenschap is benadeeld. De rechtbank oordeelt dat de vordering voldoet aan de vereisten van artikel 843a Rv en toewijsbaar is, ondanks betwisting van gedaagde over het belang en de rechtsbetrekking.

Gedaagde heeft slechts gedeeltelijk stukken overgelegd, waaronder een bankafschrift van februari 2020, dat geen inzicht geeft in het saldo en verloop in de gevorderde periode. De rechtbank beveelt daarom de volledige overlegging van de gevraagde stukken en legt een dwangsom op voor het geval van niet-naleving. Tevens wordt gedaagde veroordeeld in de kosten van het incident.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot overlegging van bankafschriften en beleggingsstukken over de gevorderde periode onder dwangsom.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind
Zittingsplaats Alkmaar
zaaknummer / rolnummer: C/15/303683 / HA ZA 20-357
Vonnis in incident van 22 juli 2020
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. F. Hofstra te Leeuwarden,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. A.L. van Onna te Franeker.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 19 mei 2020, tevens eis in incident
  • de incidentele conclusie van antwoord.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
[eiseres] vordert dat [gedaagde] op straffe van een dwangsom bankafschriften van een tweetal bankrekeningen en stukken van een beleggingsrekening overlegt over de periode 31 december 2018 tot en met 16 mei 2019.
2.2.
Partijen zijn op 12 juli 2003 met elkaar gehuwd. Op 30 april 2019 hebben partijen een echtscheidingsconvenant getekend. Op 27 juni 2019 heeft de rechtbank Midden-Nederland de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte convenant deel uitmaakt van de beschikking. Op basis van dit convenant ontving de vrouw wegens overbedeling van de man € 20.000,-. [eiseres] stelt in deze procedure dat [gedaagde] bij het opstellen van het convenant geen openheid van zaken heeft willen geven over de vermogensrechtelijke situatie van partijen en dat haar nadien is gebleken dat hij vermogensbestanddelen heeft verzwegen als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW Pro, dan wel lichtvaardig schulden heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1:164 BW Pro waardoor de gemeenschap is benadeeld.
2.3.
De rechtbank stelt vast dat de vordering van [eiseres] voldoet aan de vereisten die artikel 843a Rv daaraan stelt en daarmee toewijsbaar is. [gedaagde] heeft aangevoerd dat [eiseres] geen dringend belang heeft bij de gevraagde stukken. Niet betwist is echter dat zij een rechtmatig belang daarbij heeft, zodat aan die voorwaarde van artikel 843a Rv is voldaan. [gedaagde] betoogt verder dat [eiseres] geen partij is bij de rechtsbetrekking waarop de bescheiden zien. [eiseres] verlangt echter afschrift van bescheiden waaruit de toestand van het huwelijksvermogen blijkt. Zij is partij bij die rechtsbetrekking. [gedaagde] heeft tot slot aangevoerd dat hij uit eigen beweging de door de vrouw verlangde stukken overlegt. De rechtbank stelt echter vast dat hij de door de vrouw verlangde stukken slechts gedeeltelijk in het geding heeft gebracht. Hij heeft bijvoorbeeld (maar dat is niet het enige verschil) van bankrekening [nummer] alleen een afschrift van 21 februari 2020 overgelegd, waaruit blijkt dat de rekening is opgeheven per die datum en dat het saldo op 1 januari 2020 € 19.000,- was. Daarmee is geen inzicht verschaft in het saldo(verloop) van de rekening in de door de [eiseres] gevorderde periode. Dat ook in heel 2019 een bedrag van € 19.000,- op die rekening stond, zoals [gedaagde] stelt, zal nu juist uit de bankafschriften moeten blijken. Derhalve zal de vordering worden toegewezen (voor het deel dat daar niet reeds aan is voldaan). Het verweer van [gedaagde] in de bodemzaak zal daarna bij de behandeling van de vordering in de bodemzaak aan de orde zijn. De hoogte van de gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd.
2.5.
De rechtbank zal [gedaagde] veroordelen in de kosten van het incident, omdat hij in het ongelijk is gesteld.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
bepaalt dat [gedaagde] – voor zover hij dat niet reeds heeft gedaan – gehouden is over te leggen een kopie van de bankafschriften behorende bij de bankrekeningnummers [XX en YY] over de periode van 31 december 2018 tot en met 16 mei 2019, alsmede een kopie van de stukken die betrekking hebben op de ING-beleggingsrekening met polisnummer [ZZ] over dezelfde periode, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag voor iedere dag dan wel ieder dagdeel die hij, na betekening van het (tussen)vonnis in gebreke blijft de documenten conform vordering te overleggen totdat een maximum van € 5.000,- aan dwangsommen is verbeurt,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 543,-,
in de hoofdzaak
3.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
2 september 2020voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door M. Flipse en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2020. [1]

Voetnoten

1.type: