ECLI:NL:RBNHO:2020:5357
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bijstand na intrekking wegens schending inlichtingenplicht
Verzoekers ontvingen een bijstandsuitkering die per 6 maart 2020 werd beëindigd wegens schending van de inlichtingenplicht. Na bezwaar en eerdere procedures dienden zij opnieuw een aanvraag in voor bijstand, welke werd afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden waren. Verzoekers stelden dat de arbeidsovereenkomst van 1 april 2020 en de geplande overname van de bakkerij wel wijzigingen vormden, en dat bijzondere omstandigheden zoals een lening en de coronacrisis een toekenning rechtvaardigden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst op oproepbasis met nul uren per week gelijk was aan de eerdere overeenkomst en dat de geplande overname een onzekere toekomstige gebeurtenis was, waardoor geen sprake was van gewijzigde omstandigheden. Uit waarnemingen bleek dat verzoeker daadwerkelijk op waardeerbare arbeid was aangetroffen, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het beroep op proportionaliteit en subsidiariteit werd verworpen omdat het onderzoek gerechtvaardigd was.
Ook het beroep op bijzondere omstandigheden en dringende redenen werd afgewezen omdat geen objectieve bewijsstukken voor de lening waren overgelegd en er geen acute noodsituatie bestond. De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot toekenning van bijstand wordt afgewezen wegens ontbreken van gewijzigde omstandigheden en aanwezigheid van waardeerbare arbeid.