ECLI:NL:RBNHO:2020:4974

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 juli 2020
Publicatiedatum
6 juli 2020
Zaaknummer
C15/298459 FT RK 20-55
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 315 FwArt. 361 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijking van verkoopplicht woning met overwaarde in wettelijke schuldsaneringsregeling

De rechtbank Noord-Holland behandelde het hoger beroep van een schuldenaar tegen de beschikking van de rechter-commissaris die het verzoek tot behoud van zijn woning in de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) had afgewezen.

De schuldenaar was eigenaar van een woning met een overwaarde van circa €20.000 en kon deze overwaarde niet anders dan via verkoop in de boedel brengen. Hij stelde dat verkoop van de woning zou leiden tot dakloosheid en ernstige nadelige gevolgen voor de relatie met zijn minderjarige zoon, en dat dit de doelstelling van de Wsnp zou ondermijnen.

De rechter-commissaris had het verzoek afgewezen omdat onvoldoende was onderbouwd dat alternatieve woonruimte niet beschikbaar was. De rechtbank oordeelde dat het uitgangspunt in de Wsnp is dat de woning wordt verkocht, maar dat hiervan kan worden afgeweken bij een belangenafweging tussen het belang van de schuldenaar op een schone lei en het belang van schuldeisers.

De rechtbank vernietigde de beschikking van de rechter-commissaris en bepaalde dat de woning pas na zes maanden te koop gezet zal worden, zodat de schuldenaar de gelegenheid krijgt om alternatieve woonruimte te vinden. Na deze termijn kan de rechter-commissaris toestemming geven voor verkoop, rekening houdend met de inspanningen van de schuldenaar.

Uitkomst: De rechtbank bepaalt dat de woning pas na zes maanden te koop wordt gezet om de schuldenaar de gelegenheid te geven alternatieve woonruimte te vinden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
rekestnummer: C15/298459 FT RK 20-55
insolventienummer: C/15/[nummer] R
Datum uitspraak: 6 juli 2020
Beschikking in hoger beroep ex artikel 315 Faillissementswet Pro (Fw)tegen de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 14 januari 2020 in de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp) van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
advocaat mr. P.F.M. Deijkers te Hoorn,
verder: [appellant].

1.De procedure

1.1.
[appellant] heeft op 19 januari 2020 hoger beroep ingesteld als bedoeld in artikel 315 Fw Pro tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 14 januari 2020.
1.2.
De rechtbank heeft kennis genomen van het beroepschrift met vier producties.
1.3.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 8 juni 2020. Ter zitting zijn verschenen:
  • [appellant], vergezeld door [A.] (beschermingsbewindvoerder) en bijgestaan door mr. Deijkers voornoemd;
  • [B.], (waarnemend) bewindvoerder.
Voormelde personen hebben hun standpunten nader toegelicht. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt.
1.4.
De rechtbank heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op 6 juli 2020, of zoveel eerder als mogelijk is.

2.De feiten

2.1.
Bij vonnis van deze rechtbank d.d. 12 september 2019 is ten aanzien van [appellant] de Wsnp van toepassing verklaard, met benoeming van mr. [C.] tot rechter-commissaris en [D.] tot bewindvoerder.
2.2.
[appellant] is eigenaar van de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning) en aldaar woonachtig.
2.3.
De op 14 januari 2019 nog openstaande hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning bedroeg in totaal € 139.191,00.
2.4.
In opdracht van [appellant] heeft makelaar Hoekstra & Van Eck een waardebepaling van de woning opgesteld. Volgens de makelaar zou de woning circa € 175.000,- op moeten kunnen brengen. De bodemprijs bedraagt volgens de makelaar circa € 165.000,-.
2.5.
Nadat de rechter-commissaris desgevraagd de bewindvoerder heeft bericht dat het uitgangspunt in de Wsnp is dat de woning verkocht dient te worden, heeft de bewindvoerder de rechter-commissaris bij brief van 18 december 2019 verzocht in het onderhavige geval van dit uitgangspunt af te wijken om de volgende redenen:
“(…)Saniet ontvangt een uitkering van de gemeente. De overwaarde op de woning bedraagt (in het slechtste geval) ongeveer € 20.000,-. Saniet ziet geen mogelijkheid dit bedrag, zonder verkoop van zijn woning, in de boedel te laten vloeien.
Verkoop van de woning is naar mijn mening eigenlijk geen alternatief: saniet staat niet ingeschreven bij Woningnet (hij woont al 14 jaar in zijn huidige koopwoning). Bij verkoop van zijn woning zal saniet particulier moeten huren voor een bedrag van minimaal € 900,- per maand. Dit bedrag kan saniet vanzelfsprekend niet betalen, waardoor saniet bij verkoop van zijn woning wellicht zelfs dakloos wordt.
De totale schuldenlast van saniet bedraagt ongeveer € 105.000,-. Ik begrijp dat het vermogen van saniet (in dit geval de overwaarde op de woning) in de boedel moet vloeien; gezien echter de omstandigheden verzoek ik u uw uitgangspunt dat de woning van saniet moet worden verkocht, te heroverwegen.”
2.6.
De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 14 januari 2020 het verzoek om de woning te behouden afgewezen op de volgende gronden:
“Uitgangspunt in de wettelijke schuldsaneringsregeling is dat een woning moet worden verkocht. In onderhavig geval is er sprake van een overwaarde van ten minste € 20.000,-. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de overwaarde op een andere wijze in de boedel kan vloeien. Op grond van de brief van de bewindvoerder van 18 december 2019 stelt de rechter-commissaris dat schuldenaar hiertoe niet is staat is. De stelling dat er bij verkoop van de woning geen alternatief is, omdat schuldenaar een huurwoning in de vrije sector niet kan betalen, is naar het oordeel van de rechter­commissaris onvoldoende onderbouwd. Uit het verzoek blijkt niet dat alle mogelijkheden zijn onderzocht om alternatieve woonruimte te vinden.”
2.7.
De 11-jarige zoon van [appellant] woont in het weekend en in de helft van de vakanties bij [appellant] in. De rest van de tijd verblijft hij bij zijn moeder in [woonplaats], waar hij ook naar school gaat.

3.De beoordeling

3.1.
Het beroep is, gelet op het bepaalde in artikel 315, lid 1 jo artikel 361, lid 1 Fw tijdig en op de juiste wijze ingediend.
3.2.
Het uitgangspunt in de Wsnp is dat de eigen woning dient te worden verkocht, zeker als sprake is van overwaarde zoals hier het geval is. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als deze overwaarde op een andere wijze dan door verkoop van de woning in de boedel vloeit.
3.3.
Daarnaast kan van dit uitgangspunt worden afgeweken als verkoop van de woning op gespannen voet komt met het hoofddoel van de Wsnp, namelijk voorkomen dat een natuurlijke persoon die in een problematische financiële situatie is terechtgekomen tot in lengte van jaren met zijn schulden achtervolgd kan worden. Gelet op dat hoofddoel van de Wsnp kan bevrediging van schuldeisers niet onder alle omstandigheden doorslaggevend zijn bij de beoordeling van de vraag of de eigen woning moet worden verkocht. Het voorgaande brengt mee dat voor beantwoording van de vraag of een woning met overwaarde in de Wsnp moet worden verkocht ook een belangenafweging plaats dient te vinden tussen het hiervoor omschreven belang van de schuldenaar om met een schone lei verder te kunnen en het belang van de schuldeisers om door het te gelde maken van de overwaarde van de woning (een deel van) hun vordering voldaan te krijgen. Op basis van dat uitgangspunt overweegt de rechtbank als volgt over het beroep van [appellant].
3.4.
Op basis van het in overweging 3.2 beschreven uitgangspunt en de daar vermelde uitzonderingsgrond heeft de rechter-commissaris het verzoek om de woning te behouden afgewezen. [appellant] verzoekt herziening van dit besluit en verzoekt voorts om in het kader van de Wsnp geen gedwongen verkoop van de woning te laten plaatsvinden. Hij legt hieraan het volgende ten grondslag:
-er is geen mogelijkheid om een vervangende woning te regelen voor hem en zijn zoon, waardoor een leven op straat niet ondenkbaar is;
-bij gedwongen verkoop van de woning kan hij zijn zoon niet meer ontvangen dan wel hem geen woon- en slaapgelegenheid bieden. Dit kan de relatie tussen [appellant] en zijn zoon ernstig nadelig beïnvloeden;
-de schuldsaneringsregeling is niet gebaat bij verkoop van de woning, doordat [appellant] in dat geval in een onevenwichtige situatie terecht komt. Dit zal niet bevorderlijk zijn voor zijn streven om betaald werk te vinden en zijn inkomsten te verbeteren en dus ook niet voor de afdracht in het kader van de Wsnp, los van andere nadelige (persoonlijke) aspecten en los van het feit dat er nog een krediethypotheek zal worden gevestigd op het grootste deel van de overwaarde van de woning, aldus [appellant].
3.5.
Vast staat dat [appellant] niet in staat is de overwaarde op de woning op andere wijze dan door verkoop van de woning in de boedel te brengen. De rechtbank begrijpt het beroep van [appellant] aldus dat desondanks aan de rechtbank wordt verzocht om de bewindvoerder te bevelen de verkoop van de woning na te laten. [appellant] heeft thans echter onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die een dergelijk ver strekkend bevel, mede gelet op de belangen van de schuldeisers, zou kunnen rechtvaardigen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellant] nog onvoldoende heeft geprobeerd om alternatieve woonruimte te verkrijgen, bijvoorbeeld door middel van het aanvragen van een urgentieverklaring, terwijl dit wel op zijn weg had gelegen. Evenmin is gebleken dat [appellant] buiten zijn huidige woonplaats naar alternatieve woonruimte heeft gezocht, terwijl ook daartoe aanleiding bestaat nu hij niet vanwege werk of zijn zoon aan [woonplaats] gebonden is.
Anderzijds voert het, gelet op de persoonlijke omstandigheden van [appellant], thans ook te ver om het beroep zonder meer af te wijzen met als mogelijke consequentie dat de woning op korte termijn verkocht wordt zonder dat er alternatieve woonruimte beschikbaar is. Dan bestaat de kans dat [appellant] op straat komt te staan, met als gevolg dat dit de schuldsaneringsregeling (in strijd met de doelstelling van deze wet) en zijn relatie met zijn 11-jarige zoon negatief zal beïnvloeden.
De rechtbank zal [appellant] daarom gedurende een periode van zes maanden na de datum van deze beschikking in de gelegenheid stellen om (zo nodig met behulp van de civiele bewindvoerder) te zoeken naar alternatieve woonruimte. Na die zes maanden dient de woning te koop gezet te worden. Indien en zodra een koper is gevonden en de rechter-commissaris toestemming zal worden gevraagd voor verkoop voor de overeengekomen verkoopprijs, kan de rechter-commissaris in haar besluit meewegen of [appellant] andere woonruimte heeft gevonden of op afzienbare termijn zal vinden en welke inspanningen hij daartoe heeft ondernomen.
3.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank de beschikking van de rechter-commissaris zal vernietigen en in de plaats daarvan zal bepalen dat de woning eerst over zes maanden na de datum van deze beschikking te koop gezet zal worden opdat [appellant] de gelegenheid heeft om andere woonruimte te vinden.

4.De beslissing

De rechtbank:
- vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris van 14 januari 2020,
- bepaalt dat de woning per 6 december 2020 te koop gezet zal worden zodat [appellant] nog zes maanden de gelegenheid heeft om andere woonruimte te zoeken.
Aldus gegeven op 6 juli 2020 door mrs. M.C.J. Lommen, J.J. Dijk en W.S.J. Thijs, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.
Bij ontstentenis van de voorzitter is deze beschikking getekend door de jongste rechter