ECLI:NL:RBNHO:2020:4973

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 juli 2020
Publicatiedatum
6 juli 2020
Zaaknummer
C15/301808 FT-RK 20-360
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 315 FwArt. 361 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep tegen verkoop woning met overwaarde in Wsnp

De rechtbank Noord-Holland behandelde op 6 juli 2020 het hoger beroep van de schuldenaar tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 9 april 2020, waarin toestemming werd verleend tot het starten van verkoopactiviteiten van zijn woning in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).

De woning heeft een recente taxatiewaarde van €160.000, met een hypothecaire lening van circa €138.823 en een gekoppelde polis van circa €26.000. De rechter-commissaris oordeelde dat er sprake is van overwaarde die kan worden benut om schuldeisers te voldoen. De schuldenaar betwistte de taxatie, stelde dat de woning gebreken heeft en onverkoopbaar is, en vreesde voor zijn woonsituatie en stress door verkoopactiviteiten.

De rechtbank overwoog dat het uitgangspunt in de Wsnp is dat de woning wordt verkocht, tenzij de overwaarde op een andere wijze in de boedel kan vloeien of verkoop strijdig is met het hoofddoel van de Wsnp, namelijk een schone lei voor de schuldenaar. De rechtbank vond de bezwaren onvoldoende onderbouwd, achtte de taxatie niet onrealistisch en merkte op dat de schuldenaar geen concrete pogingen had gedaan tot alternatieve huisvesting of herfinanciering.

Daarom werd het beroep afgewezen en bleef de beschikking van de rechter-commissaris in stand, zodat verkoopactiviteiten mogen worden voortgezet.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beschikking tot verkoop van de woning wordt bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
rekestnummer: C15/301808 FT RK 20-360
insolventienummer: C/15/[nummer] R
Datum uitspraak: 6 juli 2020
Beschikking in hoger beroep ex artikel 315 Faillissementswet Pro (Fw)tegen de beschikking van de rechter-commissaris d.d. 9 april 2020 in de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: Wsnp) van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
advocaat mr. M. van Espen te Hoorn,
verder: [appellant].

1.De procedure

1.1.
[appellant] heeft op 13 april 2020 hoger beroep ingesteld als bedoeld in artikel 315 Fw Pro tegen de beschikking van de rechter-commissaris van 9 april 2020.
1.2.
De rechtbank heeft kennis genomen van:
- het beroepschrift met bijlagen;
- een nadere schriftelijke toelichting van [appellant];
- een map met foto’s van de woning van [appellant].
1.3.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 8 juni 2020. Ter zitting zijn verschenen:
  • [appellant], vergezeld door [A.] (beschermingsbewindvoerder) en bijgestaan door mr. Van Espen voornoemd;
  • [B.], bewindvoerder.
Voormelde personen hebben hun standpunten nader toegelicht, mr. Van Espen aan de hand van een pleitnota. De griffier heeft zittingsaantekeningen gemaakt.
1.4.
De rechtbank heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op 6 juli 2020, of zoveel eerder als mogelijk is.

2.De feiten

2.1.
Bij vonnis van deze rechtbank d.d. 8 oktober 2019 is ten aanzien van [appellant] de Wsnp van toepassing verklaard, met benoeming van mr. [C.] tot rechter-commissaris en [B.] tot bewindvoerder.
2.2.
[appellant] is eigenaar van de woning aan het adres [adres] (hierna: de woning) en aldaar woonachtig.
2.3.
De hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning bedraagt in totaal € 138.822,74. Daarnaast is volgens mededeling van de bewindvoerder nog sprake van een aan de hypotheek gekoppelde afkoopbare polis met een waarde van circa € 26.000,-.
2.4.
De woning is op 20 december 2019 in opdracht van de hypotheekhouder (de Rabobank) door makelaar Vidra Vastgoed getaxeerd op een marktwaarde, leeg en vrij van huur en gebruik(srechten), van € 160.000,-. Bij een executieveiling bedraagt de vermoedelijke verkoopopbrengst volgens de makelaar € 130.000,-.
2.5.
De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris bij brief van 4 maart 2020 verzocht om te mogen overgaan tot aanvangen van de verkoopactiviteiten die op termijn zullen leiden tot een onderhandse verkoop van de woning.
2.6.
De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 9 april aan de bewindvoerder toestemming verleend om verkoopactiviteiten te starten die op termijn zullen moeten leiden tot onderhandse verkoop van de woning. Zij is tot deze beslissing gekomen op de volgende gronden:
“2.1 Uitgangspunt in de wettelijke schuldsaneringsregeling is dat een woning moet worden verkocht. In onderhavig geval is er op basis van een recente taxatie sprake van een overwaarde van circa € 21.200,-, welk bedrag nog zal oplopen tot een bedrag van € 26.400,- indien een aan de hypotheek gekoppeld spaarsaldo met een waarde van € 5.200,- in mindering wordt gebracht op de hypotheekschuld. De verwachting is dat met de netto verkoopopbrengst een groot deel en in het meest gunstige geval de gehele schuldenlast kan worden voldaan.
2.2.Van het uitgangspunt dat een woning verkocht moet worden kan worden afgeweken als de overwaarde op een andere wijze in de boedel kan vloeien. Dit alternatief voor verkoop van de woning is door schuldenaar niet aangedragen. De rechter­commissaris komt op grond van de stukken tot het oordeel dat de inkomenspositie van schuldenaar ook geen aanleiding geeft om te veronderstellen dat dit mogelijk zou zijn. Hierbij neemt de rechter-commissaris in aanmerking dat schuldenaar momenteel een bijstandsuitkering ontvangt en dat op basis van een keuringsrapport van Treve Advies niet de verwachting bestaat dat schuldenaar in de toekomst kan deelnemen aan het arbeidsproces, zodat evenmin de verwachting bestaat dat schuldenaar in de toekomst een hoger inkomen zal verwerven dan thans het geval is
2.3
Daarnaast betrekt de rechter-commissaris in de beoordeling de situatie waarin schuldenaar gedwongen moet verhuizen en in een (sociale) huurwoning moet gaan wonen. In deze situatie nemen de netto woonlasten waarschijnlijk toe, maar deze situatie leidt niet tot een wijziging in de afloscapaciteit. Immers in de huidige situatie is er al geen sprake van afloscapaciteit.
2.4
Gelet op het feit dat er sprake is van overwaarde die niet aan de schuldeisers kan worden ontzegd en de hypotheekverstrekker akkoord is met verkoop van de woning, zolang diens totale vordering is gedekt en er geen restschuld zal ontstaan, zal de rechter-commissaris het verzoek van de bewindvoerder toewijzen.”
2.7.
[appellant] wenst zijn woning te behouden en is het niet eens met de beslissing van de rechter-commissaris. Hij voert hiertoe aan dat de taxatie door Vidra Vastgoed niet juist is. Het bedrag dat de woning daadwerkelijk zal opleveren bij verkoop is lager dan de door de makelaar getaxeerde waarde. Verkoop van de woning tegen de juiste marktwaarde zal geen overwaarde opleveren. De woning telt vele gebreken waar de makelaar geen rekening mee heeft gehouden. In feite is de woning onverkoopbaar. Tevens moet rekening worden gehouden met de kosten verbonden aan de verkoop. [appellant] wenst een tweede taxatie om de juiste marktwaarde te bepalen.
Daarnaast levert het opstarten van verkoopactiviteiten, waarbij de makelaar en potentiële kopers over de vloer komen en een verkoopbord zal worden geplaatst, stress op voor [appellant].
Voorts komt [appellant] door een verkoop van de woning op straat te staan. Hij komt niet in aanmerking voor een urgentie in de gemeente waar hij woonachtig is en mocht hij toch een urgentie krijgen, dan gaat het krijgen van een passende woning langer dan acht maanden duren.
Ten slotte zullen de woonlasten van [appellant] door een gedwongen verhuizing met meer dan € 150,- stijgen, aldus [appellant].

3.De beoordeling

3.1.
Het beroep is, gelet op het bepaalde in artikel 315, lid 1 jo artikel 361, lid 1 Fw tijdig en op de juiste wijze ingediend.
3.2.
Het uitgangspunt in de Wsnp is dat de eigen woning dient te worden verkocht. In het geval van overwaarde, waarvan mogelijk sprake is in het onderhavige geval, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken als deze overwaarde op een andere wijze dan door verkoop van de woning in de boedel vloeit.
3.3.
Daarnaast kan van dit uitgangspunt worden afgeweken als verkoop van de woning op gespannen voet komt met het hoofddoel van de Wsnp, namelijk voorkomen dat een natuurlijke persoon die in een problematische financiële situatie is terechtgekomen tot in lengte van jaren met zijn schulden achtervolgd kan worden. Gelet op dat hoofddoel van de Wsnp kan bevrediging van schuldeisers niet onder alle omstandigheden doorslaggevend zijn bij de beoordeling van de vraag of de eigen woning moet worden verkocht. Het voorgaande brengt mee dat voor beantwoording van de vraag of een woning met overwaarde in de Wsnp moet worden verkocht ook een belangenafweging plaats dient te vinden tussen het hiervoor omschreven belang van de schuldenaar om met een schone lei verder te kunnen gaan en het belang van de schuldeisers om door het te gelde maken van de overwaarde van de woning (een deel van) hun vordering voldaan te krijgen Op basis van dat uitgangspunt overweegt de rechtbank als volgt over het beroep van [appellant].
3.4.
Op basis van het in overweging 3.2 beschreven uitgangspunt en de daar vermelde uitzonderingsgrond heeft de rechter-commissaris bij beschikking aan de bewindvoerder toestemming verleend om verkoopactiviteiten te starten die op termijn zullen moeten leiden tot onderhandse verkoop van de woning. [appellant] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die maken dat deze beschikking niet in stand kan blijven. Het enkele feit dat het starten van verkoopactiviteiten door de bewindvoerder stress oplevert voor [appellant] omdat daarbij de makelaar en potentiële kopers over de vloer komen en een verkoopbord wordt geplaatst, is daartoe niet voldoende.
De vraag of de woning te hoog getaxeerd is, zal beantwoord worden bij het in de markt zetten van de woning. Het feit dat de makelaar blijkens het taxatierapport bij de waardebepaling rekening heeft gehouden met de onderhouds-en bouwkundige staat, geeft de rechtbank bij de huidige stand van zaken geen aanleiding om de getaxeerde waarde als irreëel te beschouwen. Voorshands lijkt het er op dat sprake is van een substantiële overwaarde, waarmee (een groot gedeelte van) de schuldeisers kunnen worden voldaan.
Ook de stelling van [appellant] dat hij bij een daadwerkelijke verkoop van de woning op straat komt te staan, geeft de rechtbank geen aanleiding om op de zaken vooruit te lopen en thans de bewindvoerder te verbieden om verkoopactiviteiten op te starten. Opmerking verdient in dit verband wel dat de rechtbank niet is gebleken van concrete pogingen van [appellant] om alternatieve huisvesting te vinden. Hij stelt niet in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring, maar heeft daartoe nog geen aanvraag gedaan. De bewindvoerder heeft ter gelegenheid van de zitting verklaard dat zijn ervaring in andere schuldsaneringsregelingen is dat een urgentieverklaring in dit soort gevallen wel wordt verleend.
Ten slotte verdient opmerking dat het opstarten van verkoopactiviteiten door de bewindvoerder niet hoeft te betekenen dat de overwaarde niet alsnog via een andere weg dan door verkoop van de woning kan worden verzilverd, bijvoorbeeld door middel van herfinanciering door de bank. Ter gelegenheid van de zitting is naar voren gekomen dat nog niet alle mogelijkheden in dat verband zijn onderzocht door [appellant] (en zijn beschermingsbewindvoerder).
3.5.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep zal worden afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het beroep af.
Aldus gegeven op 6 juli 2020 door mrs. W.S.J. Thijs, J.J. Dijk en M.C.J. Lommen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.