ECLI:NL:RBNHO:2020:4970

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 juli 2020
Publicatiedatum
6 juli 2020
Zaaknummer
HAA 20/2861
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:84 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenveroordeling na intrekking verzoek voorlopige voorziening

Verzoekers hadden een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van verweerder om hun uitkering op grond van de Participatiewet in te trekken vanwege een niet gemelde taxionderneming. Nadat verweerder was tegemoetgekomen door het verstrekken van voorschotten op basis van de gehuwdennorm, trokken verzoekers hun verzoek tot voorlopige voorziening in. Tegelijkertijd verzochten zij om verweerder te veroordelen in de proceskosten.

De voorzieningenrechter overweegt dat op grond van artikel 8:75a Awb bij intrekking wegens tegemoetkoming het bestuursorgaan in de kosten kan worden veroordeeld. Verweerder heeft geen verweer gevoerd en partijen stemden in met afdoening zonder zitting.

De proceskosten betreffen de kosten van beroepsmatige rechtsbijstand en worden vastgesteld op €525,- conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Daarnaast wordt verweerder aanbevolen het griffierecht van €48,- te vergoeden. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter L.M. Kos en griffier N. Joacim zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €525,- aan proceskosten na intrekking van het verzoek tot voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Sector bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/2861

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2020 in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , te [woonplaats] , verzoekers(gemachtigde: mr. H.M. de Roo),

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 22 mei 2020 besloten de uitkering op grond van de Participatiewet in te trekken met ingang van 1 januari 2020 omdat verzoekers een niet bij verweerder gemelde taxionderneming heeft.
Verzoekers hebben tegen dit besluit bij brief van 26 mei 2020 bezwaar gemaakt. Tevens hebben verzoekers de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft bij brief van 8 juni 2020 medegedeeld dat verzoekers met ingang van 10 juni 2020 wekelijks voorschotten worden verstrekt op basis van de gehuwdennorm.
Verzoekers hebben bij brief van 9 juni 2020 het verzoekschrift ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het verzoek is verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter heeft bij brief van 9 juni 2020 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft geen verweer gevoerd. Partijen hebben desgevraagd toestemming gegeven voor afdoening van de zaak zonder zitting.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a van de Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
3. Ingevolge artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb is artikel 8:75a Awb van overeenkomstige toepassing op uitspraken in de voorlopige voorzieningenprocedure.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek is ingetrokken omdat verweerder is tegemoetgekomen en dat verzoekers tegelijk met de intrekking van het verzoek hebben verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
5. De voorzieningenrechter ziet aanleiding het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe te wijzen.
6. De kosten hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn ingevolge het Besluit € 525,- in verband met het verzoek om voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).
7. Deze uitspraak kan geen betrekking hebben op vergoeding van betaald griffierecht. Op grond van artikel 8:82, zesde lid, van de Awb, kan verweerder in dit geval zelf beslissen het door verzoeker betaalde griffierecht van € 48,- aan hen te vergoeden. Nu verweerder alsnog aan verzoekers is tegemoetgekomen is het volgens de voorzieningenrechter gepast als verweerder dat ook doet.

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 525,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N. Joacim, griffier.
Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak zo nodig alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.