ECLI:NL:RBNHO:2020:3929
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bezwaar tegen naheffingsaanslag BPM niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding
Eiser ontving op 8 februari 2019 een naheffingsaanslag BPM en een verzuimboete. Hij diende zijn bezwaar pas op 17 juli 2019 in, wat buiten de wettelijke termijn viel. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk en handhaafde de aanslag en boete.
De rechtbank stelde vast dat de bezwaartermijn zes weken bedroeg en uiterlijk op 22 maart 2019 of 21 mei 2019 eindigde, afhankelijk van de datum van verzending. De herhaalde toezending op 8 april 2019 leidde niet tot een latere aanvang van de termijn. Eiser kon dus tijdig bezwaar maken maar faalde hierin.
Eisers beroep dat hij vanwege dakloosheid en ernstige psychische problemen niet tijdig bezwaar kon maken, werd onvoldoende onderbouwd met bewijs. De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van verschoonbaarheid van het verzuim. Daarom werd het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond.
Een inhoudelijke beoordeling van de naheffingsaanslag en boetebeschikking vond niet plaats. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De uitspraak werd gedaan door rechter B. van Walderveen op 29 mei 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard wegens niet-ontvankelijkheid van het bezwaar wegens termijnoverschrijding.