Eiser verzocht op 22 maart 2014 via e-mail informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Verweerder, de minister-president, reageerde niet tijdig, waarna eiser een dwangsom vorderde en bezwaar maakte tegen het uitblijven van een besluit. Verweerder stelde dat de e-mail geen Wob-verzoek was en dat het bezwaar niet ontvankelijk was. Bij besluit van 8 juni 2018 werd het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser diende daarop een bezwaarschrift in tegen dit besluit en vervolgens een beroep bij de rechtbank wegens het herhaaldelijk niet tijdig beslissen. De rechtbank oordeelde dat verweerder reeds op 8 juni 2018 een besluit had genomen, zodat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk was. Tevens was het beroep tegen het besluit van 8 juni 2018 te laat ingediend en niet verschoonbaar.
De rechtbank zag geen aanleiding tot inhoudelijke beoordeling en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter W.B. Klaus op 29 mei 2020, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.