ECLI:NL:RBNHO:2020:3833

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 mei 2020
Publicatiedatum
25 mei 2020
Zaaknummer
C/15/302708 / FA RK 20/2405
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 lid 2 Wet zorg en dwangArt. 37 Wet zorg en dwang
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging voortzetting inbewaringstelling bij psychogeriatrische aandoening

Het Centrum Indicatiestelling Zorg verzocht de rechtbank om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene, die lijdt aan een psychogeriatrische aandoening (dementie). De burgemeester had eerder een last tot inbewaringstelling afgegeven vanwege onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, waaronder levensgevaar en ernstige verwaarlozing.

De rechtbank hield een telefonische zitting vanwege de coronacrisis, waarbij betrokkene, haar advocaat, een arts ouderengeneeskunde, een verzorgende en de zoon van betrokkene werden gehoord. De raadsvrouw van betrokkene voerde aan dat de medische verklaring niet aan de wettelijke eisen voldeed, omdat de artsen verbonden waren aan de zorginstelling waar betrokkene verbleef, wat volgens artikel 30 lid 2 van Pro de Wet zorg en dwang niet is toegestaan.

De rechtbank oordeelde echter dat de medische verklaring rechtsgeldig was opgesteld, omdat de specialist ouderengeneeskunde als freelancer op voldoende afstand stond van betrokkene en niet betrokken was bij haar behandeling. Gezien het ernstig nadeel en het ontbreken van minder bezwarende alternatieven, werd de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling voor zes weken verleend, tot en met 24 juni 2020.

Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene voor zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
Machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling
zaak-/rekestnr.: C/15/302708 / FA RK 20/2405
beschikking van de rechtbank van 13 mei 2020,
naar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37 van Pro de Wet zorg en dwang, ten aanzien van:
[betrokkene],
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
wonende te [adres] ,
thans verblijvende [verblijfplaats] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. J.W.E. Groot te Bovenkarspel.

1.Procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op
11 mei 2020.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- de beschikking van de burgemeester van 9 mei 2020;
- de medische verklaring van 9 mei 2020;
- de aanvraag van 11 mei 2020.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 13 mei 2020. In verband met de Coronacrisis en de daaruit voortvloeiende gezondheidsrisico’s heeft de zitting conform de landelijke richtlijnen van de rechtspraak telefonisch plaatsgevonden. Alle betrokkenen hebben hiermee ingestemd en aangegeven de zitting te kunnen volgen.
1.3.
De rechtbank heeft kennis genomen van de ondertekende aanvullende verklaring
van 13 mei 2020 van [specialist ouderengeneeskunde] (specialist ouderengeneeskunde), die betrokkene heeft onderzocht en de medische verklaring onderschrijft.
1.4.
De rechtbank heeft de volgende personen gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door haar advocaat;
- [arts ouderengeneeskunde] , arts ouderengeneeskunde;
- [verzorgende] , verzorgende;
- [zoon van betrokkene] , zoon van betrokkene.

2.Beoordeling

2.1.
Op 9 mei 2020 heeft de burgemeester van de gemeente [gemeente] ten behoeve van de betrokkene een last tot inbewaringstelling afgegeven.
2.2.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat er
sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel waardoor een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht. Het ernstig vermoeden bestaat dat het gedrag van de betrokkene als gevolg van een psychogeriatrische aandoening, te weten dementie, dit ernstig nadeel veroorzaakt, te weten:
  • levensgevaar;
  • ernstig lichamelijk letsel;
  • ernstige verwaarlozing;
  • acute maatschappelijke teloorgang.
2.3.
Om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden is
voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk. Dit middel is ook geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden en er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
2.4.
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor het opstellen van de medische verklaring. De arts die de medische verklaring heeft opgesteld is een GGZ-arts en de specialist ouderengeneeskunde die de medische verklaring onderschrijft, is verbonden aan de instelling waar cliënt verblijft. De raadsvrouw verwijst naar artikel 30 lid 2 van Pro de Wet zorg en dwang: “Indien het een cliënt betreft die al in een accommodatie verblijft, kan de in het eerste lid bedoelde verklaring niet worden verstrekt door de arts die verbonden is aan desbetreffende zorgaanbieder”.
2.5.
Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opstellen van de medische verklaring. Betrokkene is door de GGZ-arts en de specialist ouderengeneeskunde (samen) onderzocht en de specialist ouderengeneeskunde onderschrijft de medische verklaring van de GGZ-arts. Weliswaar was [specialist ouderengeneeskunde] (specialist ouderengeneeskunde) op het moment van het opstellen van de medische verklaring als waarnemer verantwoordelijk voor de accommodatie, echter ter zitting is gebleken dat [specialist ouderengeneeskunde] niet betrokken is bij de behandeling van betrokkene en overigens ook niet is verbonden aan de accommodatie waar betrokkene verblijft, maar als freelancer werkzaamheden verricht voor voornoemde accommodatie. Naar het oordeel van de rechtbank staat [specialist ouderengeneeskunde] daarmee op voldoende afstand van betrokkene. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank voorbij aan het verweer van de raadsvrouw.
2.6.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de criteria voor een voortzetting van de inbewaringstelling. De machtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van zes weken, en geldt aldus tot en met 24 juni 2020.

3.Beslissing

De rechtbank:
verleent een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling ten aanzien van
[betrokkene] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met
24 juni 2020.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. Drenth, rechter, in tegenwoordigheid van
E.B.B.M. van Linden als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2020.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 20 mei 2020.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.