ECLI:NL:RBNHO:2020:3322
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Verzoekster ontving sinds 2012 bijstand naar de norm voor gehuwden samen met haar partner. Per 30 april 2019 is de uitkering gewijzigd naar de norm voor een alleenstaande ouder. Verzoekster maakte bezwaar tegen de intrekking van haar uitkering op grond van de Participatiewet.
De voorzieningenrechter oordeelt dat op basis van het onderzoeksrapport van 12 maart 2020 voldoende aannemelijk is dat verzoekster en haar partner ook na 30 april 2019 een gezamenlijke huishouding bleven voeren. Dit wordt onderbouwd door verklaringen van buurtbewoners, waarnemingen van de auto van de man nabij het adres van verzoekster, en schoolverklaringen over het brengen en halen van het jongste kind.
Verzoekster heeft haar inlichtingenplicht geschonden door dit niet te melden. Het primaire besluit tot intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht is daarom rechtmatig. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.