Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
- medeplegen van oplichting (feit 1);
- medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift (feit 2);
- medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van middelen van lijst I van de Opiumwet, te weten hoeveelheden cocaïne en MDMA (feit 3).
2.Voorvragen
3.Beoordeling van het bewijs
“dat er bij het oogmerk van verdachte Walter F. zoveel kanttekeningen te plaatsen zijn dat het Openbaar Ministerie thans niet langer in goed gemoede kan volhouden dat oplichting in deze zaak wettig en overtuigend kan worden bewezen”. De rechtbank begrijpt dat de officieren van justitie aldus alsnog tot vrijspraak van feit 1 rekwireren.
4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
5.Strafbaarheid van verdachte
6.Motivering van de straf
7.Beslag
8.Vorderingen benadeelde partijen
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
niet bewezenwat aan verdachte onder feiten 1 en 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
bewezendat verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.
een gevangenisstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) maanden.
niet-ontvankelijkin de vorderingen.