ECLI:NL:RBNHO:2020:3264
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen BPM-heffing en immateriële schadevergoeding afgewezen
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de heffing van BPM over de import van een gebruikte Volvo XC 60 en stelde dat de belasting onrechtmatig was geheven. Zij vorderde tevens een vergoeding voor immateriële schade veroorzaakt door deze heffing. De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende onderbouwing had geleverd om aan te tonen dat de BPM-heffing in strijd was met Unierechtelijke bepalingen en dat er geen aanleiding was voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Verder werd het beroep ongegrond verklaard omdat eiseres geen concrete gronden had aangedragen die het geschilpunt konden definiëren. De rechtbank verwierp ook het betoog dat het griffierecht een onoverkomelijk obstakel vormde voor toegang tot de rechter, mede omdat eiseres geen vrijstelling had aangevraagd.
Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding oordeelde de rechtbank dat, hoewel de wettelijke beslistermijn was overschreden, eiseres reeds een vergoeding had ontvangen in een samenhangende zaak met een vrijwel identiek geschil. Daarom kwam zij in deze zaak niet opnieuw voor vergoeding in aanmerking.
De rechtbank veroordeelde de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten in de samenhangende zaak, maar niet in deze procedure. Het beroep werd derhalve ongegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de BPM-heffing wordt ongegrond verklaard en immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.