ECLI:NL:RBNHO:2020:321

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 januari 2020
Publicatiedatum
17 januari 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5623
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij intrekking omgevingsvergunning

Verzoekster, een handelsonderneming, had een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vergroten van een dakopbouw ten behoeve van opslag. Deze vergunning werd door het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad geweigerd. Verzoekster maakte bezwaar en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overwoog dat een voorlopige voorziening alleen wordt toegekend bij onverwijlde spoed om onomkeerbare gevolgen te voorkomen. Verzoekster stelde dat zij spoedeisend belang had omdat zij vreest dat de eerder verleende omgevingsvergunning voor een dienstwoning zou worden ingetrokken. Deze vergunning bevatte een starttermijn van 26 weken, die inmiddels was verstreken.

Verweerder verklaarde echter dat intrekking een discretionaire bevoegdheid is en dat hij niet van plan is deze te gebruiken. Bovendien zou overleg met verzoekster plaatsvinden voordat enige intrekking zou worden overwogen. Op grond hiervan concludeerde de voorzieningenrechter dat geen spoedeisend belang bestond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 19/5623

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

16 januari 2020 in de zaak tussen

Handelsonderneming [verzoekster] B.V., te Zaandam, verzoekster

(gemachtigde: mr. G.J.F. Voss),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder

(gemachtigden: mr. B. Malloul, mr. M. Guimaraes en K. Karregat).

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster een omgevingsvergunning geweigerd voor het vergroten van een dakopbouw ten behoeve van opslag aan de [adres] .
Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Voor verzoekster is verschenen [verzoekster] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk op 16 januari 2020 uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
2.1
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed", gelet op de betrokken belangen dat vereist. Een voorlopige voorziening is in beginsel een tijdelijke maatregel, waardoor wordt voorkomen dat onomkeerbare gevolgen van een bestreden besluit zich voordoen voordat in de hoofdzaak is beslist of het besluit in stand kan blijven.
2.2
Verzoekster stelt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, omdat zij vreest voor intrekking van de omgevingsvergunning van 11 maart 2019. Daarbij is haar vergund om op de eerste verdieping een dienstwoning te realiseren. Bij nader inzien wil verzoekster deze dienstwoning bij voorkeur realiseren in de te vergroten dakopbouw. Niet in geschil is dat in de omgevingsvergunning van 11 maart 2019 is voorgeschreven dat verzoekster binnen 26 weken moet starten met de realisatie van de dienstwoning. De voorzieningenrechter overweegt dat, nog daargelaten dat de door verzoekster genoemde termijn van 26 weken al op 9 september 2019 is verstreken, verweerder verklaard heeft dat intrekking van die vergunning een discretionaire bevoegdheid is. Op zitting heeft verweerder toegezegd dat hij op dit moment niet van plan is om van die bevoegdheid gebruik te maken. Ook heeft verweerder verklaard dat als dit verandert, eerst overleg met verzoekster zal plaatsvinden. Als verweerder daarna de omgevingsvergunning zou willen intrekken, zal zij dat kenbaar maken in een voornemen tot intrekking waarop verzoekster dan kan reageren. Op basis van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. Steinhauser, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. F. Vermeij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
16 januari 2020.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.