ECLI:NL:RBNHO:2020:3029

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 april 2020
Publicatiedatum
21 april 2020
Zaaknummer
AWB - 19 _ 3000
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 8:62 AwbAlgemene verordening gegevensbescherming (AVG)Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen verstrekking WIA-besluit aan voormalig werkgever niet-ontvankelijk verklaard

Eiser ontvangt sinds januari 2018 een WIA-uitkering. Verweerder heeft een afschrift van het besluit tot definitieve berekening van de uitkering aan de voormalig werkgever van eiser gestuurd. Eiser maakte bezwaar tegen deze verstrekking van persoonsgegevens aan zijn voormalig werkgever, stellende dat dit in strijd is met de AVG. Verweerder verklaarde het bezwaar ongegrond op grond van zijn wettelijke verplichting om besluiten aan belanghebbenden kenbaar te maken.

De rechtbank oordeelt dat het doorzenden van het besluit aan de voormalig werkgever een feitelijke handeling is en geen besluit in de zin van de Awb. Hierdoor is bezwaar tegen deze handeling niet ontvankelijk. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en verklaart het beroep gegrond. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan eiser vergoed.

De rechtbank wijst erop dat eiser niet betwist dat de voormalig werkgever informatie moet ontvangen, maar wel de wijze waarop. De zitting vond openbaar plaats, ondanks het verzoek van eiser om gesloten behandeling, omdat er geen bespreking van medische gegevens plaatsvond. De uitspraak is gedaan door rechter A.R. ten Berge en griffier J.H. Bosveld op 24 april 2020.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het doorzenden van het WIA-besluit aan de voormalig werkgever is niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 19/3000

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. E. Kok).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiser op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) over de periode van 1 december 2018 tot en met 31 mei 2019 definitief berekend en meegedeeld dat eiser een bedrag van € 300,83 (bruto) tegoed heeft.
Bij besluit van 3 juli 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 januari 2020. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt met ingang van 27 januari 2018 een uitkering op grond van de Wet WIA. Verweerder heeft een afschrift van het besluit van 7 juni 2019 aan de voormalig werkgever van eiser gezonden.
2. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de verstrekking van zijn persoonsgegevens - door het zenden van een kopie van het besluit van 27 juni 2019 - aan zijn voormalig werkgever. Eiser meent dat verweerder daarmee de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) schendt.
3. Verweerder heeft het bezwaar van eiser (kennelijk) ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij - kort gezegd - gewezen op zijn wettelijke verplichting besluiten in het kader van de Wet WIA ter kennis te brengen aan de (ex-) werkgever, zolang deze als belanghebbende in de zin van de Awb moet worden aangemerkt.
4. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet inziet dat het nodig is de voormalig werkgever meer informatie te verstrekken dan nodig is.
5. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat op grond van art 3:41 Awb Pro besluiten aan belanghebbenden kenbaar dienen te worden gemaakt. Verweerder heeft daarbij ook gewezen op de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2017:4311), waaruit volgt dat bij een stelsel waarin een aanspraak van een werknemer op, in dit geval, een WIA-uitkering voor de werkgever financiële gevolgen heeft in de vorm van vaststelling van een gedifferentieerde premie, artikel 3:41 van Pro de Awb, meebrengt dat besluiten omtrent (het bedrag van) de uitkering ook aan de werkgever bekendgemaakt moeten worden.
6. Ter zitting van 31 januari 2020 heeft de rechtbank eisers verzoek om behandeling achter gesloten deuren niet gehonoreerd. De reden hiervoor is dat het onderzoek ter zitting op grond van artikel 8:62, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in beginsel openbaar is. Het tweede lid geeft de rechtbank de bevoegdheid onder bepaalde omstandigheden het onderzoek ter zitting achter gesloten deuren te laten plaatsvinden, bijvoorbeeld wanneer de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dat eist. Medische gegevens kunnen hiertoe gerekend worden. Omdat in dit geval tijdens de zitting in beginsel geen bespreking van de medische gegevens van eiser plaatsvindt, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien af te wijken van het beginsel van openbaarheid van de zitting.
7. De rechtbank constateert dat het bezwaar van eiser zich richtte tegen het integraal doorzenden aan zijn voormalig werkgever van het aan hem gerichte besluit van verweerder van 27 juni 2019 en niet tegen de inhoud van dat besluit. Eiser heeft dat ter zitting ook bevestigd. Eiser heeft daarbij toegelicht dat hij niet betwist dat verweerder de voormalig werkgever op grond van de Wet WIA en de Awb informatie omtrent zijn WIA-uitkering moet verstrekken. Eiser kan zich niet vinden in de vorm waarin de betreffende informatie aan de voormalig werkgever wordt verstrekt. Eiser is van mening dat door het integraal doorzenden van (een kopie) van het besluit ook onnodig, en ongewenst persoonsgegevens, zoals zijn adresgegevens en zijn BSN, bij zijn voormalig werkgever bekend worden. Eiser voert aan dat die gegevens voor de voormalig werkgever niet relevant zijn.
8. Naar het oordeel van de rechtbank betreft het in afschrift zenden van een besluit aan een derde belanghebbende een feitelijke handeling. Het is niet gericht op een rechtsgevolg, omdat het geen bevoegdheid, recht of verplichting doet ontstaan of teniet doet en het stelt evenmin de juridische status van een persoon of zaak vast. Tegen een feitelijke handeling is geen bezwaar mogelijk. Dat betekent dat verweerder het bezwaar ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. De omstandigheid dat in het besluit van 27 juni 2019 is vermeld dat een afschrift daarvan zal worden gezonden aan de voormalig werkgever maakt dit niet anders. Anders dan eiser betoogt betekent de vermelding van de bezwaarclausule niet dat elke mededeling erboven in het betreffende document een besluit is.
9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk te verklaren.
10. Het beroep is gegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding omdat van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat het bezwaar van eiser van 27 juni 2019 niet-ontvankelijk verklaard wordt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is op 24 april 2020 gedaan door mr. A.R. ten Berge, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.