ECLI:NL:RBNHO:2020:2919

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 april 2020
Publicatiedatum
16 april 2020
Zaaknummer
HAA 20/10 ev
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:38 AwbArt. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroepen niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling griffierecht en niet vermelden gronden

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen naheffingsaanslagen omzetbelasting en opgelegde boetes over meerdere jaren. De rechtbank behandelt het beroep zonder zitting omdat dit niet noodzakelijk is voor een behoorlijk proces.

Volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het griffierecht binnen vier weken na mededeling zijn betaald. Eiseres heeft dit niet gedaan, ondanks meerdere aanmaningen, waaronder een aangetekende brief die retour kwam en een gewone brief die wel is ontvangen. Een verzoek om uitstel van betaling werd te laat ingediend en was daarom niet ontvankelijk.

Daarnaast is eiseres ook in verzuim geweest om binnen de gestelde termijn de gronden van het beroep te vermelden, ondanks een herstelmogelijkheid die werd geboden. De rechtbank concludeert dat er geen verontschuldiging is voor deze verzuimen en verklaart de beroepen daarom niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling van het griffierecht en het niet binnen de termijn vermelden van de beroepsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 20/10 en 20/12, 20/13 en 20/14

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2020 in de zaken tussen

[eiseres] B.V., eiseres

(gemachtigde: mr. R. Moszkowicz),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft bij brief van 18 oktober 2019 beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar van verweerder van 16 oktober 2019 inzake naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2015, 2016, tweede kwartaal 2017 en oktober 2018.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb uitspraak zonder zitting. Het beroep ziet mede op de opgelegde boete. De rechtbank is van oordeel dat de vereisten van een behoorlijk proces niet nopen tot een behandeling ter zitting.
2. Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. In een zaak als deze is het griffierecht op grond van artikel 8:41, tweede lid, van de Awb, gelezen in samenhang met de bij de Awb behorende Regeling verlaagd griffierecht € 47. Op grond van artikel 8:41, vijfde lid, van de Awb moet het griffierecht binnen vier weken na verzending van de mededeling van de griffier dat het verschuldigd is, zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, is het beroep op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
3. De griffier heeft bij brief van 3 januari 2020 eiseres in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Eiseres heeft niet gereageerd. Vervolgens heeft de griffier bij aangetekend verzonden brief van 1 februari 2020 eiseres nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief. Deze brief heeft de rechtbank retour ontvangen van het postbedrijf. Vervolgens heeft de griffier deze brief, als bedoeld in artikel 8:38, eerste lid, van de Awb, overeenkomstig het bepaalde in dat artikel ter kennisname per gewone post verzonden. Eiseres heeft het griffierecht niet op tijd betaald. Het verzoek om uitstel van betaling van het griffierecht dat eiseres heeft gedaan op 26 maart 2020 is na afloop van de betalingstermijn en dus te laat ingediend en doet hier niet aan af.
5. Eiseres heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus niet gebleken van een verontschuldiging voor dit verzuim.
6. Verder merkt de rechtbank op dat eiseres, gelet op de artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb, ook in verzuim is geweest binnen de gestelde termijn de gronden van de beroepen te vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na herstelmogelijkheid de beroepen op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
7. De rechtbank heeft eiseres bij aangetekende brief van 2 januari 2020 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. Nader onderzoek in het Track & Trace-systeem van PostNL heeft uitgewezen dat deze brief op 3 januari 2020 is bezorgd en dat voor ontvangst is getekend. Eiseres heeft hierop niet gereageerd.
8. De beroepen zijn daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van M. van der Elst, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 10 april 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord. De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van verzet is verstreken of, indien verzet wordt ingesteld, op dat verzet is beslist.