Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2020
het college van burgemeester en wethouders van Schagen, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
21. Na voornoemde onderzoeken dient verweerder de restgeur na het nemen van de maatregelen te toetsen aan de eisen van artikel 6.4 van de planvoorschriften en artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo (zoals hiervoor in rechtsoverweging 8 uiteengezet). (…)
25. Om het gebrek te herstellen moet verweerder onderzoek (laten) doen naar de voorgestelde maatregelen 1 en 2 en het effect daarvan op de geurhinder.”
“Het voorstel is dat onder een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt verstaan dat er geen sprake is van hinder door geur. Voor het realiseren van een omgeving waarbij geen klachten kunnen ontstaan is het voorstel uit te gaan van een verwijdering van vluchtige organische stoffen afkomstig van de meubel- en interieurspuiterij van meer dan 99 procent, zodat er een restemissie is van niet meer dan 1 procent.”
omgeving waarbij geen klachten kunnen ontstaan”. Alleen in dat geval zou volgens Quinsens sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Die lezing doet geen recht aan de in deze zaak aan te leggen toets dat sprake moet zijn van een bedrijf dat
qua milieubelasting (geur) gelijkwaardig is aan de bedrijven die worden genoemd in categorie 2.
kunnenvoordoen’, is dan ook van weinig waarde bij beoordeling van de aanvraag. Aangenomen moet immers worden dat bij het vaststellen van het bestemmingsplan is geoordeeld dat in beginsel sprake is van een goed woon- en leefklimaat indien zich op het perceel een ‘categorie 2’-bedrijf vestigt. Een geurbelasting die niet onevenredig is voor een ‘categorie 2’-bedrijf is dus in beginsel aanvaardbaar. Quinsens heeft niet onderbouwd dat dergelijke bedrijven in het geheel geen geur kunnen of mogen uitstoten. De rechtbank gaat er dus van uit dat enige geur uitgestoten mag worden door een ‘categorie 2’-bedrijf zodat zich daarbij dus ook geurklachten
kunnenvoordoen.
‘omdat bij voorbeeld bij onderhoud of storingen aan getroffen maatregelen zich situaties kunnen voordoen die het woon- en leefklimaat onaanvaardbaar beïnvloeden’,maakt het vorenstaande niet anders. De rechtbank gaat er van uit dat in dergelijke situatie de meubelspuiterij buiten werking wordt gesteld (nog afgezien van het feit dat voor iedere overlastverminderende maatregel geldt dat die niet zal werken bij storing of onderhoud). Indien de meubel- en interieurspuiterij in werking is zonder toepassing van geurreducerende maatregelen, is dat een kwestie van handhaving.
Beslissing
Rechtsmiddel
de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.