ECLI:NL:RBNHO:2020:2701

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 april 2020
Publicatiedatum
8 april 2020
Zaaknummer
HAA 20/782
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:84 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking verzoek voorlopige voorziening wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs door verweerder en een voorlopige voorziening gevraagd. Nadat verweerder het bezwaar gegrond verklaarde, trok verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om proceskostenvergoeding.

De voorzieningenrechter oordeelde dat op grond van artikel 8:75a Awb bij intrekking wegens tegemoetkoming het bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak in de kosten kan worden veroordeeld. De kosten betroffen rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en werden vastgesteld op €525.

De griffierechtvergoeding werd uitgesloten van deze uitspraak. De voorzieningenrechter veroordeelde verweerder tot betaling van €525 aan proceskosten. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €525 aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/782

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 april 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. J.J. van ‘t Hoff),

en
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2020 heeft verweerder het rijbewijs van verzoeker vanaf
12 februari 2020 ongeldig verklaard.
Verzoeker heeft bij brief van 7 februari 2020 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Voorts heeft verzoeker de voorzieningenrechter op 14 februari 2020 gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar van 24 februari 2020 het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard.
Verzoeker heeft bij brief van 25 februari 2020 het verzoekschrift ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het verzoek heeft verzoeker verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter heeft bij brief van 26 februari 2020 verweerder in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Verweerder heeft op 27 februari 2020 gereageerd.
Partijen hebben niet aangegeven om over het verzoek om proceskosten op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.
2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan eiser is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a van de Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.
3. Ingevolge artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb is artikel 8:75a Awb van overeenkomstige toepassing op uitspraken in de voorlopige voorzieningenprocedure.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek is ingetrokken, omdat verweerder volledig tegemoet is gekomen aan verzoeker en dat verzoeker tegelijk met de intrekking van het verzoek heeft verzocht verweerder in de proceskosten te veroordelen.
5. De voorzieningenrechter ziet aanleiding het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe te wijzen.
6. De kosten hebben betrekking op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedure bij de rechtbank en komen ingevolge het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zijn € 525,- in verband met het verzoek om voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).
7. Deze uitspraak kan geen betrekking hebben op vergoeding van betaald griffierecht. Op grond van artikel 8:82, zesde lid, van de Awb, kan verweerder in dit geval zelf beslissen het door verzoeker betaalde griffierecht van € 178,- aan hem te vergoeden.

BeslissingDe voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van€ 525,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.C. Karels, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.