ECLI:NL:RBNHO:2020:2622
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en ongebruikte hersteltermijn
Eiser ontving een bijstandsuitkering en verbleef in verband met een begrafenis van zijn moeder in Polen van 1 tot 15 februari 2019, maar keerde pas op 26 februari terug. Verweerder vroeg om bankafschriften en een gesprek, waarop eiser niet reageerde. De uitkering werd opgeschort en later ingetrokken wegens schending van de inlichtingenplicht en het ongebruikt laten verstrijken van de hersteltermijn.
Eiser voerde aan dat hij door ziekte elders verbleef en dat hij telefonisch had begrepen dat hij vier weken in het buitenland mocht zijn, maar hij meldde zijn langere verblijf niet. Ook stelde hij dat de aangetekende post niet correct was bezorgd. De rechtbank oordeelde dat verweerder aan zijn bekendmakingsverplichting had voldaan en dat eiser verantwoordelijk is voor het ontvangen van zijn post.
De rechtbank stelde vast dat eiser de gevraagde informatie niet tijdig had verstrekt en de hersteltermijn had laten verstrijken, waardoor de intrekking terecht was. De stelling dat de intrekking disproportioneel was en dat verweerder rekening had moeten houden met een lopende IND-procedure werd verworpen. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard.