Geschil10.In geschil is of verweerder eiseres terecht en op goede gronden een naheffingsaanslag BPM en een verzuimboete opgelegd. Met name worden partijen verdeeld gehouden door de vraag of de auto op grond van de daarvoor geldende voorwaarden dan wel op grond van rechtens te honoreren vertrouwen valt onder de werking van de overgangsregeling.
11. Eiseres stelt dat de auto volgens de importeur bij invoer door de Rijksdienst voor het wegverkeer en door de Belastingdienst als bedrijfsauto is goedgekeurd en op grond daarvan een ‘grijs kenteken’ heeft verkregen. Eiseres verbindt daaraan de conclusie dat de auto voldeed aan de inrichtingseisen. Ter onderbouwing van dit betoog heeft eiseres een brief met dagtekening 8 december 2014 overgelegd waarop - kennelijk door de importeur - met pen is aangetekend dat hij contact heeft gehad met ‘Dhr. [I] ’ en ‘Dhr. [J] ’ en dat de uitkomst van dit gesprek was dat 20 door hem reeds geïmporteerde dan wel te importeren ‘nieuwe dan wel zeer jong gebruikte VW [..] grijs Kenteken uitvoering’ in aanmerking komen voor de overgangsregeling. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de belastingaanslag en de verzuimboete.
12. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep, nu de auto niet aan de gestelde eisen voldoet om onder de werking van de overgangsregeling te vallen. Verweerder betwist dat concrete toezeggingen zijn gedaan dat de auto aan de voorwaarden van de overgangsregeling zou voldoen. Zo daar al sprake van zou zijn acht verweerder zich niet gebonden aan het door eiseres gestelde vertrouwen dienaangaande.
13. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
14. Gegeven de positionering van de achteras van de auto ten opzichte van de achterwand van de cabine staat vast dat de auto bij de tenaamstelling in 2015 ten onrechte is aangemerkt als bedrijfsauto. Eiseres heeft geen gronden aangevoerd die een andersluidend oordeel kunnen rechtvaardigen. Er was dan ook reden de verschuldigde BPM na te heffen en verweerder was ook bevoegd de naheffingsaanslag op te leggen.
15. Het vorenstaande neemt niet weg dat artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepaalt dat verweerder in gevallen waarin een belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald de te weinig geheven belasting,
kannaheffen. Verweerder is dus niet verplicht in alle gevallen tot naheffing over te gaan. Bij de beoordeling of er in het onderhavige geval reden was om van naheffing af te zien is een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur - waaronder het vertrouwensbeginsel waarop eiseres zich beroept - geboden.
16. In dat kader overweegt de rechtbank dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet met zekerheid kan worden afgeleid welke concrete afspraken zijn gemaakt tussen [F 2] en de medewerkers van de Belastingdienst. Wel staat vast dat over de auto’s is gesproken, dat de auto’s mede op basis van deze gesprekken, zowel voor de heffing van MRB als voor de heffing van BPM, onder de werking van de overgangsregeling zijn gebracht. De vraag of die beslissing juist is geweest is eerst gesteld nadat een medewerker van verweerder de auto op 5 december 2017 zag rijden en deze medewerker zijn bevindingen rapporteerde. Voorts is onbetwist dat [F 2] - en in diens kielzog eiseres - zakelijke beslissingen hebben genomen gebaseerd op de kwalificatie van de auto als bedrijfsauto. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van rechtens te honoreren vertrouwen kent de rechtbank verder wezenlijke betekenis toe aan de uitspraak op het bezwaar van eiseres tegen de naheffingsaanslag MRB met betrekking tot de auto en aan een brief aan eiseres van 23 januari 2020, waarin de inspecteur Motorrijtuigenbelasting schrijft dat sprake is van rechtens te honoreren vertrouwen en dat dit niet zonder gevolgen kan blijven. Hij schrijft:
“Door deze onjuiste beslissing op uw bezwaar is in dit specifieke geval - ter zake van het motorrijtuig - sprake van opgewekt vertrouwen. Als gevolg daarvan betaalt u - sinds de aanvang van het houderschap op naam van [X] B.V. met ingang van 4 mei 2018 - te weinig motorrijtuigenbelasting op basis van het ten onrechte in de uitspraak van 21 september 2018 toegepaste bestelautotarief (het motorrijtuig is immers een personenauto en de hierboven genoemde goedkeuring is niet van toepassing). Opgewekt vertrouwen blijft van kracht tot het moment waarop dat vertrouwen door de inspecteur wordt opgezegd.
Met deze brief zeg ik dat vertrouwen per direct op. lk geef u daarbij de gelegenheid om het betreffende motorrijtuig, vóór het tijdvak ingaande 23 mei 2020 aan te (laten) passen aan de inrichtingseisen voor een bestelauto met dubbele cabine. De bewijsstukken van de aanpassing van het motorrijtuig in vorenbedoelde zin dient u te sturen naar het postbusnummer te Apeldoorn zoals hierboven (op de eerste pagina) vermeld. Mocht u het hiervoor genoemde motorrijtuig niet aan laten passen dan zal ik vanaf het tijdvak ingaande 23 mei 2020 het personenautotarief toepassen.
Als dit motorrijtuig voor 23 mei 2020 wordt verkocht, zonder de noodzakelijke aanpassingen om in aanmerking te komen voor het bestelautotarief, dan is de nieuwe houder vanaf de datum tenaamstelling motorrijtuigenbelasting verschuldigd naar het personenautotarief.”
17. Uit de brief van deze inspecteur MRB in samenhang met diens uitspraak op bezwaar van 21 september 2018 leidt de rechtbank af dat in ieder geval voor de heffing van MRB sprake was van een rechtens te honoreren vertrouwen dat middels de brief wordt opgezegd. Omdat voor de toepassing van de BPM voor wat betreft de kwalificatie als bedrijfsauto dezelfde regelgeving geldt als voor de heffing van MRB en de uitkomsten van de toetsing aan die regelgeving in de praktijk niet van elkaar verschillen mag een belastingplichtige ervan uitgaan dat een oordeel over een te importeren auto van een tot die toetsing bevoegde inspecteur ook geldt voor de andere verschuldigde belasting. De rechtbank verbindt aan het voorafgaande dan ook de conclusie dat ook voor de BPM sprake was van een rechtens te honoreren vertrouwen dat niet zonder gevolgen kan blijven.
18. Het beroep is dan ook, gelet op het vorenstaande, gegrond. De uitspraak op bezwaar zal worden vernietigd en de naheffingsaanslag, de beschikking belastingrente en de boetebeschikking zullen moeten worden herroepen.
19. Het vorenstaande betekent evenwel niet dat de onjuiste kwalificatie van een auto als de onderhavige, waarover in het geheel geen BPM is geheven, ook tot in lengte van dagen in stand dient te blijven en de auto aldus van die heffing gevrijwaard blijft. Een dergelijk gevolg zou geen recht doen aan de opzegging van het vertrouwen door de inspecteur MRB. Indien het opgewekte vertrouwen ook voor de heffing van BPM aan verweerder kan worden tegengeworpen, geldt dat immers ook voor de opzegging van dat vertrouwen. Omdat de aard en de wijze van heffing van BPM zich verzetten tegen een BPM-heffing na de opzegging van het vertrouwen overeenkomstig de brief van de inspecteur MRB ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door de hoogte van de naheffingsaanslag in goede justitie zelf vast te stellen op € 10.261. De rechtbank baseert zich daartoe op het uit de stukken gebleken bruto BPM-bedrag van € 38.119, verminderd met een afschrijving op basis van de forfaitaire tabel van 73,08 percent. Dit percentage is gestoeld op een periode van gebruik van 4 jaar en 11 maanden, hetgeen correspondeert met de datum waarop het gewekte vertrouwen is opgezegd. De beschikking belastingrente zal dienovereenkomstig worden verminderd en de belastingrente is verschuldigd met ingang van 23 januari 2020.
20. Gelet op het vorenoverwogene kan eiseres een pleitbaar standpunt niet worden ontzegd. Voor het opleggen van een verzuimboete is dan ook geen plaats.
21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.311 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1).